Altijd een bijzondere thuiswedstrijd

De Olympische Spelen zijn in Italië en prompt doen de Italianen met de besten mee. Drie schaatsers maken kans op een medaille, zelfs de gouden....

Een eenvoudige opsomming volstaat om een glimlach op het gezicht te toveren van de sterkste drie Italiaanse schaatsers: Enrico Fabris, Ippolito Sanfratollo en Chiara Simionato.

In 1994 hadden de Olympische Spelen plaats in Noorwegen. De Noor Koss won goud. In 1998 was Japan de organisator. De Japanner Shimizu pakte goud. En in 2002, in de Verenigde Staten, gingen drie Amerikaanse schaatsers aan de haal met de hoofdprijzen. Italië is in 2006 gastheer. Dus?

‘Goud, ik durf er nog niet aan te denken’, zegt Simionato met gespeelde schrik. ‘Ik neem in elk geval geen genoegen met een toptien-plaats. Ik ga helemaal los’, aldus Sanfratello. Fabris: ‘Sport is geen wiskunde. De resultaten staan niet in de sterren geschreven. Maar ik heb een kans. Dat zeker.’

Het moet van hen komen, weten de drie. Zij gehoorzamen aan een oude wet: er komen bijzondere krachten los bij sporters uit het land dat de Spelen organiseert. Vaak vindt het succes zijn oorzaak in de extra financiële middelen die het gastland steekt in de sport, maar daarvan is in Italië nauwelijks sprake. Het budget is onveranderd krap gebleven.

Het gebrek aan geld heeft de drie nooit gedeerd. Zij delen de liefde voor de schaatssport, al wordt die in hun eigen land, zelfs in dit olympische jaar, niet begrepen.

Fabris (24) is de blikvanger van het stel. De ranke stilist met het voorkomen van een aristocraat schaatst al sinds zijn jeugd en heeft zich gestaag naar de wereldtop opgewerkt. Op de wereldranglijst aller tijden staat hij vierde. Zowel op de 1500 meter als op de vijf kilometer blinkt hij uit, al won hij nooit een medaille bij een EK of een WK. ‘Ik behoor tot de favorieten. Maar er zijn op mijn afstanden meer medaillekandidaten.’

De kale, zelfverzekerde Sanfratello (32) maakte in het skeeleren naam als sprinter. Hij won acht wereldtitels (drie op de 300 meter, vijf op de 500 meter). Vijf jaar geleden verkoos hij een baan als marketingmanager boven het leven als topsporter, maar na een bezoek aan de schaatsbaan van het Noord-Italiaanse Baselga di Piné besloot hij in 2003 zijn geluk op het ijs te beproeven.

Dit seizoen is hij sterk vooruitgegaan, vooral op de lange afstanden. ‘In mijn gedachten ben ik nog steeds een sprinter’, zegt Sanfratello. ‘Maar ik ben te laat begonnen om echt hard te kunnen schaatsen. Ik had er een jaartje eerder bij moeten zijn.’

De struise krachtsprintster Simionato (30) heeft van de drie de meeste ervaring. Zij draait al tien jaar mee in het circuit, aanvankelijk met weinig succes. Pas afgelopen seizoen kwam daar verandering in, met de eindzege in de World Cup op de 1000 meter.

‘Voor ons is een nieuwe situatie ontstaan’, zegt Simionato. ‘Voor het eerst is er belangstelling van de Italiaanse pers. Er is sprake van een soort druk. Al vragen ze in mijn dorp nog altijd als ik bij een World Cup ben geweest: doe je nog steeds niets? Moet je niet eens werk zoeken? Heb je nog steeds holiday on ice?

Een olympische medaille zou een primeur zijn voor de Italianen. Elena Belci bereikte in 1994 de hoogste notering: vierde op de vijf kilometer. Roberto Sighel, de wereldkampioen allround van 1992 die aan vijf Spelen deelnam, kwam niet verder dan de zevende plaats.

Die klasseringen mogen al een wondertje heten, vindt Simionato, gezien de geringe omvang van de schaatssport in haar land. De Italiaanse ploeg bestaat uit een dozijn schaatsers. Veel meer wedstrijdrijders telt het land niet. ‘Laatst hoorde ik iemand zeggen dat er voor één Italiaanse schaatser vierhonderd Nederlandse zijn.’

Het geringe aantal Italiaanse schaatsers in combinatie met hun goede prestaties heeft argwaan gewekt. Boze tongen spreken van doping. Zijn de betere tijden van Simionato werkelijk te danken aan een wisseling van trainer, zoals ze zegt? En wat te denken van het uithoudingsvermogen van voormalig sprinter Sanfratello?

Simionato reageert ontspannen op de onbewezen beschuldigingen. ‘Natuurlijk kunnen mensen zo denken. Wij hadden vier jaar geleden ook onze bedenkingen bij de opmars van de Amerikanen. Maar waarom zouden wij het risico nemen? We zullen nooit rijk of beroemd worden, zoals wielrenners en voetballers. Een medaille is iedereen hier morgen alweer vergeten. En bedenk wel: in Italië kun je voor doping de cel ingaan.’

Meer over