Reportagevoetbal in België

‘Allez l’Union!’, club zonder businessseats en viplounges. Brussel is trots op u

Royale Union Saint-Gilloise is de koploper in België. Voor de oorlog was dat normaal, de laatste decennia zakte de ploeg af tot een bedenkelijk niveau. Maar nu speelt de Brusselse club de hoofdrol in een voetbalsprookje. Wel dankzij een investeerder.

Rob Gollin
Het Joseph Mariënstadion in Brussel, de thuisbasis van Royale Union Saint-Gilloise. Beeld
Het Joseph Mariënstadion in Brussel, de thuisbasis van Royale Union Saint-Gilloise.

Ze komen uit volksbuurten van Sint-Gillis en Vorst. Mannen met geruite petjes, met sjaals in het geel en blauw van de club weggestoken in de kraag van hun jas. Anderen zijn hiernaartoe getrokken vanuit de gerevitaliseerde Dansaertstraat en omgeving. Hipsters, studenten. Je hoort er Duits, Engels en het Nederlands van boven de rivieren. Inwijkelingen van de stad.

Zij aan zij staan ze zaterdagavond midden op de Brusselsesteenweg, voor Chez Katy en Union’s Taverne. Pintjes in plastic glazen en brood met worst in de hand, in het schijnsel van de lampen op de monumentale façade van het Joseph Mariënstadion in Brussel, de thuisbasis van Royale Union Saint-Gilloise. Hier en daar klinkt alvast een schuchtere aanzet voor het clublied. Et quand vient le week-end, au parc Duden, je chante pour mon club. Allez l’Union! Straks staan ze schouder aan schouder op de tribune.

Dat de glorie van weleer is teruggekeerd tussen de straat met wat verweerde herenhuizen en het golvende 19de-eeuwse wandelpark in het zuidwesten van de stad, gaat nog wat ver, maar van een wederopstanding kan gerust worden gesproken. Na een verblijf van 48 jaar buiten de hoogste regionen van het Belgische voetbal keerde Union dit seizoen terug en staat nu al wekenlang fier bovenaan in de Jupiler Pro League, nog voor landskampioen Club Brugge en stadgenoot Anderlecht.

Elf landstitels

In Chez Katy zit Yourek Dury (53), gestaald lid van harde supporterskern Union Bhoys, achter een glas bier. Hij bekent nog altijd ‘een beetje geschrokken’ te zijn. ‘Het voelt vreemd. Union promoveerde zonder ons.’ Ze mochten er niet bij zijn: covid. Vanaf zijn 11de komt hij al in het stadion. Hij heeft meegemaakt dat Union aan het begin van de jaren tachtig twee seizoenen in de vierde klasse speelde. Dat aan het begin van de jaren negentig niet meer dan duizend bezoekers naar de wedstrijd kwamen; de club was derdeklasser. Dat enkele keren een faillissement dreigde. ‘Dat waren de dieptepunten, ja.’

Het roemrijk bestaan dateert uit een ver verleden. Na Anderlecht (30 ) en Club Brugge (13) is Union de club met de meeste landstitels, het zijn er elf. De eerste in de Division d’Honneur is van 1904. Voor de Eerste Wereldoorlog volgden er nog zeven. In de jaren dertig waren er drie kampioenschappen op rij, toen de club zestig wedstrijden aaneen ongeslagen bleef. Het is nog altijd een record.

Na de oorlog begon de glans te doven. In 1949 verdween Union voor het eerst uit de ereklasse, keerde meteen terug, maar verder dan de subtop of de middenmoot kwam de club nooit meer. De eerste klasse werd nadien de voornaamste verblijfplaats.

Groezelig, maar charmant

Het Joseph Marienstadion, genoemd naar de voorzitter die in 1933 tijdens een wedstrijd tegen de grote rivaal Daring Club de Bruxelles bezweek aan een hartaanval, ligt in een halve kom van het Dudenpark. De staantribune strekt zich uit over de volle lengte van het veld, begrensd door bomenrijen. De stammen lichten ’s avonds spookachtig bleek op. Achter beide doelen zijn stoeltjes in clubkleuren op hellingen geplaatst. Nog maar enkele jaren geleden gingen daar staanplaatsen schuil onder bomen, struikgewas en onkruid. In het stadion konden voor de oorlog 40 duizend toeschouwers terecht, nu is er plek voor 9.000.

De 100 meter lange gevel van de zittribune aan de straatkant, in 1926 opgetrokken in artdeco-stijl, weerspiegelt nog grandeur, al slaat het ooit lichte natuursteen van de ornamenten groezelig, zo niet zwart uit, oogt het metselwerk verweerd en zijn de raamkozijnen rot. Op panelen zijn in expressionistische bas-reliëfs voetballers en atleten uitgebeeld; de vereniging bood decennia ook aan atletiek onderdak.

Onder de tribune herinneren ontvangstruimten met lambrisering tot schouderhoogte en glas in loodramen aan de hoogtijdagen, al is het naar de huidige maatstaven krapjes bemeten. De gangetjes en trapjes in de catacomben zijn nauwelijks mansbreed.

Een tikkeltje besmuikt gaat Fabrizio Basano het bezoek vooraf. Hij is al meer dan dertig jaar supporter en maakt sinds dit seizoen ook deel uit van het bestuur. Hij opent de deuren van de karig ingerichte kleedruimten. ‘Nee, als we Europees zouden gaan spelen, kun je dit niet met goed fatsoen aanbieden.’ Maar er mag niets worden vertimmerd. Het hele complex is tot beschermd monument verklaard. Tegelijkertijd telt de charme.

Boven had Basano nog op het hout van de zitbanken geklopt. ‘Uit 1919, de eerste wedstrijd in een nieuw stadion, nog voor de bouw van de gevel, tegen AC Milan.’ Hij wees trots op het ontbreken van luxe viplounges, van businessseats, van etalages en kasten vol merchandise. ‘In het moderne voetbal gaat de ziel van een club snel verloren. Als je hier komt, voel je een kick. Je weet: dit is mijn club.’

Volle staantribune bi de thuiswedstrijd tegen Charleroi. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Volle staantribune bi de thuiswedstrijd tegen Charleroi.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Honderd procent Brussel

Het verklaart volgens hem de komst van een nieuwe generatie toeschouwers, die de uitstervende schare van oudere supporters aan het aanvullen is. Basano: ‘Anderlecht trekt volk uit het hele land, van Vlaanderen vooral. Union heeft altijd de wortels in Brussel gehad. We zien nu de kinderen en kleinkinderen van de ouderen, maar ook studenten die hier zijn komen wonen, expats uit de Europese instituties, migranten. Ze zoeken de open, familiaire sfeer. Wie weet, ervaren ze een gelijksoortige gezelligheid van de vereniging op de plek waar ze vandaan komen.’

Romantiek en nostalgie ten spijt, de sportieve herrijzenis is toch vooral toe te schrijven aan de komst van keihard kapitaal. Een Britse investeerder, gokmiljardair en voormalig pokerspeler Tony Bloom, in eigen land al eigenaar van Brighton & Hove Albion FC, pompte vanaf 2018 naar verluidt 20 miljoen euro in Union; de club zelf noemt geen bedragen. Hij is de man achter Starlizard, een consultancy die met computergestuurde voorspellingen van wedstrijduitslagen gokcircuits bedient. Lizard, hagedis, is ook zijn bijnaam: aan de pokertafel ging hij koudbloedig te werk.

Dezelfde data worden benut bij het samenstellen van de selectie. Union aast op spelers die bij hun club op een zijspoor zijn beland of vist ze op uit lagere divisies. Het leidt tot een elftal met een nog grotere mengelmoes dan die op de tribune: enkele Belgen (gevonden in Nederland: Siebe van der Heyden bij Eindhoven, Senne Lynen bij Telstar) een Duitser, een Luxemburger, een Brit, een Japanner, een Maltees, een Malagassiër.

Bart Nieuwkoop

Vleugelverdediger Bart Nieuwkoop, ex-Feyenoord, is de enige Nederlander. De trainer, Felice Mazzù, is van Charleroi. Veel aandacht gaat uit naar de twee aanvallers: de bonkige spits Deniz Undav kwam over van SV Meppen uit de derde Liga in Duitsland, de onvermoeibare draver Dante Vanzeir werd losgeweekt bij KRC Genk, waar hij niet kon rekenen op een basisplaats. Volgens coach Mazzù drijft het team op ‘geloof in zichzelf’ en ‘respect voor iedereen’.

Nieuwkoop, die eerder deze maand voor Union zijn eerste doelpunt maakte, heeft het naar zijn zin in Brussel. ‘We weten dat we van iedereen kunnen winnen, maar ook van iedereen kunnen verliezen. Het lukt alleen als we honderd procent geconcentreerd blijven. We gaan voor elkaar door het vuur.’

Hij had nog nooit van de club gehoord, totdat zijn zaakwaarnemer belde. Hij merkte het al bij de sollicitatie: het draaide niet alleen om techniek, de leiding peilde ook zijn karakter. ‘Ze wisten al veel van me, ik ben niet iemand die problemen veroorzaakt. Ze toonden interesse en vertrouwen. Dat voelde goed.’ Hij prijst het beleid. ‘Er wordt niet lukraak met geld gesmeten. Ze willen stapje voor stapje groeien.’ Nieuwkoop tekende voor drie jaar. Inmiddels woont de Tholenaar in een appartement in Brasschaat.

Fotogalerij van de eerste selectie in een gang van het stadion. Op de voorgrond Bart Nieuwkoop, de enige Nederlander bij Royale Union Saint-Gilloise.   Beeld
Fotogalerij van de eerste selectie in een gang van het stadion. Op de voorgrond Bart Nieuwkoop, de enige Nederlander bij Royale Union Saint-Gilloise.

Speeltje van investeerder?

Hoe kwam investeerder Bloom terecht in Sint-Gillis? De vraag wordt beantwoord door zijn vriend en zakenpartner Alex Muzio, aangesteld als voorzitter, in het bezit van 10 procent van de aandelen. Hij staat met een wollen muts op het veld, na 4-0-winst op Charleroi.

Voor elke thuis- en uitwedstrijd suist hij in de trein door de Kanaaltunnel; het levert hem krediet bij de aanhang op. Ze hebben zich in heel Europa georiënteerd. De zuidelijke landen waren moeilijk, ingewikkelde structuren rondom clubs en spelers. Duitsland staat niet toe dat buitenstaanders een meerderheidsbelang verkrijgen. In Frankrijk draait alles om Paris Saint-Germain. Bij Union troffen ze geschiedenis, groeikansen en loyale en gastvrije supporters.

Muzio: ‘Je hoort nooit boegeroep. Dat sprak ons aan. Het is ook lekker dicht bij Londen. Wat hielp is dat in het Belgische voetbal al buitenlandse investeerders actief zijn.’ Ze keken ook in Nederland. ‘De top-5 is goed tot uitzonderlijk goed. Maar daaronder is het niveau lager dan in België. We willen graag winnen. We hadden ook het idee dat geldschieters er minder welkom zijn.’

Bloom benut Union niet als een satellietclub, waar overtollige spelers of jonge talenten van Brighton worden gestald. Muzio beklemtoont dat de eigenaar op afstand bestuurt. ‘De beslissingen worden hier genomen. We kregen in de zomer een speler van Brighton aangeboden, een groot talent uit Ecuador, Moisés Caicedo. We hadden hem niet nodig. Hij speelt nu op huurbasis voor Beerschot, een concurrent. Dat zegt alles over de onafhankelijkheid. We doen alleen wat goed is voor Union, niet wat per se goed is voor Brighton.’

Is hij niet bang dat succes en eventuele schaalvergroting de romantiek van de club zal ondergraven? Het eerste elftal zal op op den duur niet in het Joseph Marienstadion kunnen blijven. Een parking ontbreekt, omwonenden klagen over geluidsoverlast.

Muzio heeft er vertrouwen in. ‘Laatst stak een supporter van ons zijn middelvinger op naar fans van de tegenstander. Het was vastgelegd op camera. Onze aanhangers zijn naar hem toegegaan. Ze hebben gezegd: nog één keer en jij bent hier niet meer welkom. Hier heerst Brusselse trots. Ik denk dat onze fans op de nieuwe aanwas zullen letten. Maar het is een goede vraag. Het is zeker een uitdaging.’

Durft Yourek Dury in Chez Katy al te denken aan een stadion met businessseats en viplounges? Hij steekt bedachtzaam een sigaret op. ‘Ik weet niet zeker of ik daar dan zal zijn. Let op: als ik ga, volg ik de kleuren, niet het stadion. Maar ik denk niet vooruit. Ik geniet van het nu. Dat is al meer dan genoeg.’

Meer over