Afbouwen in de woestijn

Voetbal in Qatar lijkt op vakantie, een vorstelijk betaalde vakantie wel te verstaan. Je traint wat, je speelt wat. Ronald de Boer (36) ziet louter voordelen....

‘Ach, ik ben hier de King’, zegt Ronald de Boer en hij parkeert zijn forse vierwiel aangedreven Toyota Landcruiser pontificaal voor de deur van het clubhuis van Al Shamal. Hij blokkeert de entree.

Niemand protesteert, niemand komt naar buiten gestormd om te zeggen dat hij die grote asociale kar van hem ergens anders moet neerzetten. In Qatar, het land waar de kamelen zijn ingeruild voor potsierlijk grote automobielen, zijn ze wat ruwer in het verkeer en De Boer, Hollandse expat, heeft zich moeiteloos aangepast.

De actie wordt gevolgd door een uitdagende lach. Het is wat pesterig bedoeld naar de rest van het elftal dat hij – captain Ronny – voortdurend op scherp moet zetten om de wedstrijden in de competitie tot een goed einde te brengen.

Vijf uur later blijkt het niets geholpen te hebben. Zijn team, Al-Shamal, laat diep in de blessuretijd een zekere zege op Al-Arabi uit de handen glippen. ‘Schieten ze op doel, in plaats van de bal in het elftal te houden’, zegt De Boer.

Hij zegt het tegenwoordig nog maar vijf minuten moeilijk te hebben met matige resultaten, zoals de 1-1 vanavond. ‘Direct daarna ben ik het al kwijt. Morgen weer een dag, volgende week weer een kans.’

Donderdag is speeldag in Qatar. Het weekeinde valt in dit deel van de Golf op vrijdag en zaterdag. In de stad zijn de Aziatische Spelen aan de gang. De vijf vaste stadions zijn bezet, maar er wordt gewoon doorgevoetbald.

‘Zijn ze wel goed bij hun hoofd’, vraagt De Boer op het veld van Al-Wakra, een nederzetting buiten Doha, aan de Braziliaanse keeperstrainer. ‘Normaal kan ik ze al allemaal een hand geven. Nu komt er niemand meer kijken.’

‘Ze zijn niet goed bij hun hoofd’, zegt de wat dikkig uitgevallen assistent uit een technische staf vol Brazilianen. ‘Ze hadden ons met vakantie moeten sturen. Dan had ik Kerstmis thuis kunnen vieren.’

Voetbal in Qatar lijkt op vakantie. Het is een goed betaalde vakantie, corrigeren de kenners. Je traint wat, je houdt je een weinig fit en je speelt één keer per week een wedstrijd (dertig in het jaar). Als beloning incasseer je een fijn salaris.

Voor afbouwende spelers van de categorie-De Boer (een 36-plusser met 67 interlands achter de naam) is dat dik een miljoen dollar. Hij vertelt zonder dralen van Michael Mols, zijn oud-clubgenoot bij Glasgow Rangers, die weigerde in te stemmen met de bemoeienis van een ‘vage agent’.

‘Had-ie wel moeten doen, Michael, maatje van me. Drie ton naar een Zwitserse rekening of zo, maar wel zelf negen ton netto vangen. Dat krijgt hij bij FC Utrecht of ADO lang niet. Michael had wijzer moeten zijn. We hadden hem goed kunnen gebruiken. Met een spits als Mols hadden we hier tweede gestaan.

‘Nu hebben we Claudio, die Braziliaan van PSV van voorheen. Die mist kansen bij bosjes. Die vliegt eruit na het nieuwe jaar. Alleen weet hij dat zelf nog niet.’

We hangen achterover in een van de banken van het rood beschilderde clubhuis van Al-Shamal. De tv, met Schalke - Nürnberg erop, gaat uit. Trainer Ardilson, een vriendelijke Braziliaan met een uiterst beperkt Engels vocabulaire, gaat een tactische bespreking houden.

Kom erbij zitten, zegt De Boer. ‘Gaat toch nergens over’, had hij tevoren gebromd. De coach vindt het goed. Ronald de Boer is de internationaal gelouterde voetballer. Die wordt bij Al-Shamal niet tegengesproken, zelfs niet door de coach.

Clubpresident Abdul Gader komt deze middag bij de bespreking zitten. De Boer zoekt in zijn telefoon naar de naam van de man, met zwarte jurk en gekleurde hoofddoek. Voor de juiste spelling.

Abdul Gader is een zakenman. ‘Ze waren door de sjeiks heen’, zegt De Boer. ‘Toen heeft de emir van Qatar gevraagd of Abdul deze club onder zijn hoede kon nemen. Het is de armste club van de stad, maar de emir kun je in dit land niets weigeren.’

Bij de begroeting tussen de president en de spelers kun je zien wie goed in de markt ligt. De wangen (over rechts) twee keer tegen elkaar: behoorlijk goed. Eén keer de neuzen tegen elkaar: heel goed. Twee keer de neuzen frontaal tegen mekaar: top.

De Boer, hij geeft hoogst Europees een halfslap handje, zegt dat de journalist voor een verhaal Al-Shamal komt. Hoe Abdul dat vindt? Die lacht vriendelijk. De Boer, pesterig: ‘Het wordt een groot stuk, hoor. Dus gedraag je een beetje.’

Dit zegt de sterspeler tegen de werkgever. We vragen wijselijk niet hoe de verhoudingen bij deze club liggen.

Abdul Gader neemt even later het woord. Hij gaat in de stijl van Karel Lotsy tekeer in het Arabisch. ‘Kan ik ondertussen wel even gaan slapen’, zegt De Boer en hij onderdrukt een gaap.

Het gaat er in de tactische bespreking, voorzichtig gezegd, ontspannen aan toe. Er komen spelers te laat binnen. Een van hen – de door De Boer bij AZ aangeprezen Ahmed Hadid – zegt dat hij gisteravond nog met Oman heeft gespeeld in het landentoernooi van de Aziatische Spelen en dat hij daarom een vrije dag wenst. Hij heeft zijn rode trainingspak demonstratief thuisgelaten.

Er zijn mensen die tijdens de bespreking achter hun hand zitten te sms’en. Er gaan mobieltjes af. Anderen hebben de trilfunctie van de gsm ingeschakeld. De Boer, op fluistertoon: ‘Nu even niet, schat. De bespreking is net begonnen.’

Als goed vader – of misschien als goed Qatarees – bezit de West-Fries twee telefoons. Zijn kinderen, drie dochters heeft hij van 13, 10 en 5, kunnen hem dan altijd bereiken.

En anders meldt Sharon, zijn vrouw, zich wel. Tijdens de rit van het clubhuis naar het stadion: ‘Waatttt? Een dooie?’ Hij legt even later neer: ‘Een Koreaanse ruiter dood bij de military hier. Live op tv, zegt Sharon. Onder zijn paard gekomen. Dat je dat weet.’

Het leven in de woestijnstad, De Boer verkoopt het als een droom. Hij is gebleven, toen broer Frank het voor gezien hield en koos voor het trainersbestaan in Nederland. ‘Er zijn veel misverstanden over het leven hier. Mensen hebben het over een zandbak waar niks te doen is, waar het te warm is en waar het onveilig zou zijn.

‘Nou, het is hier tien keer zo veilig als in Nederland. Het klimaat is in de winter geweldig en als het in de zomer te warm wordt, dan gaan we drie maanden terug naar Nederland. Waar het ook warm kan zijn, toch?

‘En je hebt nu deze stad gezien. Of daar niks te doen zou zijn? Gisteren hebben we gegeten in de Four Seasons. Nou daar is het Amstel Hotel niks bij.’

En wat dachten we trouwens van kamperen in de woestijn. Niks mooiers dan de woestijn, zeker bij nacht, met een heldere sterrenhemel. Dat is een belevenis, met golf zijn favoriete bezigheid.

De wedstrijd in Al-Wakra wacht. In de kleedkamer – blijf niet op de gang staan, maar kom erin, gebaren de gastvrije Arabieren en Brazilianen – toont Ronald de Boer de vele littekens op zijn linkerknie. Allemaal overblijfsels van knieoperaties, de laatste drie door dokter Van Dijk van het AMC.

Hij neemt vlak voor de wedstrijd een pilletje. ‘Altijd twee pijnstillers voor de knie.’ Hij klopt op het gewricht. Die goede, oude knie. Heeft het bijna 20 jaar volgehouden op het hoogste niveau. ‘Nou ja, hier is het niet het hoogste niveau, hè.’

Als hij een scan liet maken, waren de reacties van het medisch personeel altijd hetzelfde. ‘Heb je een ongeval gehad? Voetbal je daarmee?’

Hij voetbalt ermee. Maar het linkeronderbeen staat behoorlijk uit het lood. ‘Dat is al erger geworden’, zegt De Boer. Maar hij kan ermee uit de voeten. Op dit niveau, geeft hij meteen toe.

Deze zomer trainde hij mee bij AZ, met zijn beste vriend, Shota Arveladze, en bij de coach die hem in zijn beste tijd begeleidde, Louis van Gaal. ‘Dan gaan de mensen praten. Nou, Ronald de Boer kan nog wel mee. Maar ik hoef niet te praten over zo’n contract of zo’n rol.

‘Het heeft geen zin. Deze knie, waar ik al sinds 1992 last van heb, kan ik niet continu zwaar belasten. Het verwachtingspatroon als ik zou terugkeren bij AZ, is me te groot. Bij een club die om de drie dagen een belangrijke wedstrijd speelt, kun je niet alleen maar af en toe meedoen.

‘Ik kan niet meer twee duels voetballen per week. En ik wil die stress niet meer. Als je zwak hebt gespeeld, want je hebt niet genoeg kunnen trainen, gaat het daarna dagen door in de kranten of bij Voetbal Insite. Hier niet.’

Hier, in de luxueuze West Bay van Doha, op dik zes uur vliegen van Nederland, heeft hij zijn eigen leven. Hij wil nog wel een jaar blijven, als Al-Shamal en het olympisch comité QNOC – bij hen staat hij op de loonlijst – het goed vinden.

Hij heeft goede contacten. Hij zit bijvoorbeeld in de charity-organisatie Qatar voor Azië. Dit jaar leverde de veiling van voetbalitems, voor een groot deel vergaard via zijn contacten, elf miljoen dollar op. ‘De bal van de WK-finale met alle handtekeningen van de Italianen erop deed ruim twee miljoen.’

Hij is laatst in het paleis van de emir geweest. Met een van de dochters van de grootvorst heeft hij geluncht. ‘Ze is gek van voetbal.’ Wie hem niet begrijpt met zijn waardering voor het leven hier, moet eens meegaan naar zo’n bijeenkomst.

Het trainerschap, hem met zijn voetbalgogme zo vaak voorspeld, is nog steeds iets voor de toekomst. Hij grapt: ‘Samen met Frank? Lijkt me prima. Moet hij het papiertje halen, ga ik naast hem zitten.’

Zelf op cursus gaan, daarmee wacht hij nog. Totdat Cocu en Van der Sar zich melden voor de verkorte cursus.

‘Want ik ben nog jong’, zegt Ronald de Boer. Hij ziet er inderdaad afgetraind en fit uit. Hij toont zijn getrainde torso. ‘Jongen, als ik in mijn jeugd geweten had wat ik nu weet van het menselijk lichaam, had ik er nu anders voor gestaan.

‘Maar wij deden bij Ajax nooit iets aan fitheid. We deden maar wat. Er was niemand die zei dat het anders moest.’

In de auto, buiten het stadion – de ploeg gaat met de bus, de sterspeler rijdt in zijn eigen wagen – gaat het over een sms uit Nederland. Het nieuws over de aanrijding van Danny Blind, gepakt met te veel drank op. ‘Zooo dom. Als jonge speler, oké, dan ben je onbezonnen. Maar als routinier en trainer gebeurt je dit niet.’

Dan gaat gsm 2. Sharon aan de lijn. ‘Of ik een beetje voortmaak, want we moeten naar de film. Zij heeft al kaartjes.’ Hij: ‘Maar we staan vast in het verkeer, schat. En ik wil me nog omkleden. Ga jij alvast maar.’

Meer over