EK voetbal

2 juni, 1986: de dag dat het Hongaarse voetbal stierf

Igor Belanov schiet de Sovjet-Unie naar een 3-0-voorsprong tegen Hongarije. De ellende was nog niet voorbij. Hongarije verloor met 6-0. Die vernedering doet nog altijd pijn in Hongarije. Beeld AP
Igor Belanov schiet de Sovjet-Unie naar een 3-0-voorsprong tegen Hongarije. De ellende was nog niet voorbij. Hongarije verloor met 6-0. Die vernedering doet nog altijd pijn in Hongarije.Beeld AP

Hongarije staat weer eens op een groot toernooi. In 1986 verloor Hongarije met 6-0 van de Sovjet-Unie op het WK in Mexico. Nog altijd speculeert Hongarije over de oorzaken. Oud-spelers als Lajos Détári en József Kiprich praten niet graag over die vernedering.

Met lichte tred komt hij de hotellobby binnen, de man die ooit naam maakte als één van de beste spelverdelers van het continent. De Duitse Bundesliga kroonde hem tot beste buitenlander. Topclubs stonden in de rij, er werd gefluisterd over Juventus, Internazionale, misschien zelfs Barcelona. De Hongaar Lajos Détári (58) kan precies uitleggen waarom het nooit van een droomtransfer zou komen. Maar eerst een cola.

Voor de kansen van zijn land, dinsdag tegen Europees kampioen Portugal, geeft Détári geen cent. En dat hoeft niemand te verbazen. Het kleine Hongarije doet pas voor de vierde keer in de geschiedenis mee aan een EK, en krijgt het in groep F zwaar voor de kiezen. Na Portugal wachten Frankrijk en Duitsland. ‘We hebben geluk dat er tegenwoordig geen zestien maar vierentwintig teams meedoen’, zegt de oud-international zuinigjes, ‘anders hadden we ons sowieso niet geplaatst.’

Haast automatisch gaan de gedachten terug naar de laatste keer dat de Hongaren internationaal echt meetelden. Bij het WK ‘86 in Mexico (inderdaad, dat van Maradona’s ‘hand van God’), deze maand precies 35 jaar geleden, rekenden kenners minimaal op een halve finaleplek. In de kwalificatie hadden de Hongaren het Oranje van Gullit en Van Basten uitgeschakeld, mede dankzij een doelpunt van Détári in De Kuip. Brazilië kreeg met 3-0 klop.

Vol verwachting

Vol verwachtingen reisde het team naar Mexico voor de openingswedstrijd tegen de Sovjet-Unie. In een paar pennenstrepen schetst Détári de vaste elf in een semi-Hollands systeem: drie man achterin, twee opkomende backs, twee controleurs ervoor (Antal Nagy en hijzelf), en voorin een spits en twee buitenspelers. Rechts de latere Feyenoord-legende József Kiprich, links Márton Eszterházy, de broer van de beroemde schrijver.

Het decor: Irapuato, een stad op 1.700 meter. Voor het eerst sinds de gloriejaren van Ferenc Puskás en diens ‘magische Magyaren’ (verliezende finalisten op het WK van 1954) zou Hongarije weer serieus meedingen op het internationale podium. Maar Détári was er niet gerust op. ‘De avond ervoor voelde ik dat er iets mis was.’

Wat zich die maandagmiddag in Mexico ontrolde, zou in Hongarije de geschiedenis ingaan als de moeder, nee de grootmoeder aller nederlagen. Binnen vier minuten stonden de Russen 2-0 voor.

‘Daarna deden ze wat wij Hongaren vaker doen: ze gaven het op’, zegt Tamás Vitray (89), de Evert ten Napel van de Hongaarse televisie. De Russen walsten over ze heen. Het werd 6-0. In de oogverblindende zon kon Vitray nauwelijks zijn scherm zien, maar wat hij zag, maakte hem razend. Na het toernooi zou hij een column schrijven waarin hij zich verontschuldigde voor zijn weinig omfloerste wedstrijdcommentaar. ‘Ik zou die dag maar wat graag vergeten.’

Speculaties

Hongarije kon naar huis. Détári scoorde nog in de tweede poulewedstrijd (2-0) tegen Canada, maar liep zijn droomtransfer mis. Een schrale troost: het Griekse Olympiakos telde twee jaar later omgerekend 5,5 miljoen euro voor hem neer, waarmee hij op dat moment de op twee na duurste speler ter wereld was.

Over de oorzaken van de 6-0 is het speculeren in Hongarije nooit opgehouden. Een verkeerd bord pasta gegeten, zegt de één. Gepruts met inferieure bloeddoping. Omkoping met Russische roebels. Te weinig ervaring met spelen op hoogte. ‘Veel mensen dachten dat we gewoon niet mochten winnen van de Sovjets’, zegt sporthistoricus Levente Koós (37). Een recent verschenen boek beschrijft de algehele ontreddering. Een Hongaars geheim agent kwam na de nederlaag in een ziekenhuis in Boedapest vragen of ze daar misschien met doping hadden gerommeld. De hoofdarts ontkende, waarop de agent (vergeefs) vroeg of hij, in een poging de gemoederen te bedaren, die boodschap op tv wilde herhalen.

Aan nederlagen geen gebrek in de Hongaarse geschiedenis, te beginnen met de slag bij Mohács in 1526, het startschot van honderdvijftig jaar Ottomaanse overheersing, lopend tot de neergeslagen volksopstanden van 1848 en 1956. ‘Je kunt de verliezer eren’, tekende Emil T. András op in een boek over het trauma van Irapuato. ‘Verlies kan gracieus zijn en opbeurend. Deze nederlaag was dat niet.’

Gebroken en gebutst door de geschiedenis zijn de Hongaren er alleen maar melancholischer op geworden. ‘We zijn altijd op zoek naar een schuldige’, zegt Koós met een minzame glimlach op de lippen. ‘Dat deden we na Mohács, bij het verdrag van Trianon (waarbij het land in 1920 tweederde van het grondgebied verloor) en ook na Mexico.’

József Kiprich

Een uur buiten Boedapest zit de 57-jarige József Kiprich aan een groot glas bier. Wat hij aan kennis van het Nederlands verloren is, heeft hij in kilo’s teruggekregen. Aarzelend komt er toch een woordje uit: ‘regenjas.’ Kom, er was een journalist met een regenjas, weten we niet wij hij bedoelt? Een ogenblik later wordt het gezicht van Harry Vermeegen (lange trenchcoat) op een telefoon getoverd. Ernaast: József op een ezeltje, zogenaamd als levende kerststal. ‘Hoe die man mij zover heeft gekregen, begrijp ik nog steeds niet’, zegt hij met een rokerige bulderlach.

Zijn gezicht betrekt bij het woord Mexico. Hoe hij zich die dag herinnert? ‘Terwijl ik nog het volkslied stond te zingen, stonden we al 3-0 achter.’ Kiprich wil er kort over zijn: alle samenzweringstheorieën zijn onzin. Volgens hem ging het fout bij de trainingen, een lezing die Détári en Vitray onderschrijven. Bondscoach György Mezey had de spelers afgemat op het heetst van de dag van de dag, bij 40 graden, toen alle andere elftallen siësta hielden. De bedoeling was de omstandigheden van de wedstrijden te simuleren. Het klonk slim, maar pakte catastrofaal uit. Tegen de Sovjets waren ze na de warming-up helemaal leeg.

Aan de telefoon ontkent de hoogbejaarde Mezey dat de fout bij hem lag. ‘We hebben dat hele toernooi hoogstens één of twee keer in de hitte getraind.’ Of dat ook gebeurde aan de vooravond van de openingswedstrijd, herinnert hij zich niet. ‘Van journalisten heb ik deze theorie vaker gehoord, maar er is geen speler die het me zelf heeft durven zeggen. Omdat het niet waar is natuurlijk.’

Klap dreunt nog na

Van de klap is het Hongaarse voetbal nooit meer hersteld. ‘Als spelers hadden we een jaar later bij elkaar moeten komen om te evalueren hoe dit had kunnen gebeuren’, filosofeert Détári. ‘Nu is het te laat.’ Hongarije doolt rond in de grijze middenmoot van Europa. Viktor Orbáns regering bouwt het land in hoog tempo vol met splinternieuwe stadions, maar die kunnen het gebrek aan kwaliteit niet maskeren. De enige Europese topclub, Ferencváros, werd dit jaar kampioen met maar drie Hongaren in de basis.

De enige voor wie ’86 onverwacht positief uitpakte, is Kiprich, althans volgens hemzelf. Bij een goed resultaat op het WK was hij bij een veel te dure club in Engeland of Duitsland beland; het werd het volkse Feyenoord dat beter bij hem paste en waar hij mede dankzij zijn houterige loopje uitgroeide tot publiekslieveling.

Over zijn Feyenoord-tijd, van 1989 tot ’95, praat de Hongaar nog altijd graag, haast alsof de tijd is stil blijven staan. Zijn kleindochter prijkt op zijn gsm-hoesje, gehuld in Feyenoord-shirt. Tegen een Hongaarse website vertelde hij dat hij nog steeds rondkomt van een klein Nederlands pensioen. Aanbiedingen uit Rotterdam zijn er te over, maar voor zo’n verhuizing voelt hij zich te oud.

In zijn vrije tijd is de ‘tovenaar van Tatábanya’ coach van het kleine SE Környe, een vierdeklasser. Wie gaat kijken bij een thuiswedstrijd, ziet onmiddellijk de rolverdeling. Terwijl zijn assistent aanwijzingen geeft, zit Kiprich in de dug-out. Nors kijkend. Telefonerend. Rokend. Praten doet hij nauwelijks, zeggen ze bij de club, maar als hij zijn mond open doet, is het altijd zinnig.

Alsof de duivel ermee speelt, moet Kiprich deze middag naar zes doelpunten kijken. Eén voor zijn eigen Környe, vijf voor de tegenstander. Hij incasseert ze zoals een Hongaar betaamt: zwijgend.

Meer over