Zwierig en plezierig

Kleine werken van grote Franse schrijvers. Perlouses argot voor pareltjes die ook in Frankrijks literaire schatkist goed verstopt zijn. Die vertalen en mooi uitgeven is de opzet geweest van Martin de Haan, Jan Pieter van der Sterre en Rokus Hofstede....

Zes deeltjes zijn inmiddels verschenen, in het komend najaar zullen er weer drie komen (Proust, Voltaire en Alain Fleischer). De redactie streeft naar een evenwichtige verdeling tussen moderne en klassieke auteurs. Het enige criterium is dat het gaat om korte teksten die het publiceren meer dan waard zijn.

Tot nu toe is de keuze gevallen op twee 18de-eeuwers, Vivant Denon (overigens in 1995 ook al vertaald, door Zsuzsnnings) en Denis Diderot, de 19de-eeuwer Charles Baudelaire en drie hedendaagse schrijvers: Pierre Michon, Michel Houellebecq en Jean Echenoz.

Vivant Denon (1747-1825) was eigenlijk allesbehalve schrijver. Hij was kamerheer van Lodewijk XV, diplomaat en de eerste directeur van het Louvre. Point de lendemain, vertaald als Eenmaal, immermeer, is de enige literaire tekst van zijn hand. Het is een zinnenprikkelend verhaal over een escapade van de ikpersoon, een jonge knaap, en een listige, hitsige markiezin. Bij Denon is alles suggestie. Aan de beschrijving van de lange en heftige liefdesnacht komt geen tong of borst te pas. Denons ironie en lichtvoetigheid geven deze tekst bovendien een plezierige zwierigheid.

De 'perlouse' van Michel Houellebecq (1958) begint allesbehalve licht. Deze tekst, Leven, lijden, schrijven methode, is ook opgenomen in de zojuist verschenen grote bundel De koude revolutie. Een cynische handreiking voor een geslaagd schrijverschap: 'Als u de anderen een mengeling van angstig medelijden en minachting inboezemt, weet u dat u op de goede weg zit. U kunt gaan schrijven.'

Een jonge (25), montere, nog niet door 'spleen' geplaagde Baudelaire (1821-1867) doet hetzelfde in zijn Wenken voor jonge letterkundigen. Hij waarschuwt onder meer voor schulden, vrouwen en de valkuil van inspiratie: 'Liederlijkheid is niet langer de zuster van de inspiratie.' Hoe ironisch klinkt deze goede raad als we weten dat Baudelaires eigen liederlijke, excessieve, uitputtende maar productieve schrijversleven juist op het punt stond een hoge vlucht te nemen.

Het werk van Pierre Michon (1945) is tijdloos. Hij baseert zich op historische figuren uit de marge, van wie vaak alleen het geboorte-en sterfjaar bekend zijn. Michon gaat het vooral om het vergeefse en universele menselijke verlangen naar iets hogers, een ander bestaan. Rokus Hofstede (die al jaren gestaag bezig is Michons oeuvre voor ons taalgebied te ontsluiten) heeft de korte novelle De koning van het woud vertaald. We vinden er die karakteristieke donkere Michon-toon terug.

Ook Jean Echenoz (1947) wordt door middel van Bodembestemming in geconcentreerde vorm gepresenteerd. Zijn onnavolgbare stijl doet je soms in lachen uitbarsten, omdat het zo'n plezier is die concies geformuleerde zinnen die eigenlijk mini-gedichten zijn te lezen. Hij wekt de indruk alsof hij van een afstandje zijn personages gadeslaat. Die ietwat ironische afstand wordt niet te groot: zijn personages zijn geen meelijwekkende poppen maar 'levende' karakters.

De personages van Diderot (1713-1784) daarentegen zijn wel karikaturen maar daarvoor heeft de filosoof een reden, die hij na afloop van zijn verhaal onthult in de vorm van een vraag aan zijn lezers. In Dit is geen grap vertelt hij twee 'waargebeurde' verhalen: een hardwerkende man wordt verliefd op een inhalig wijf, en een deugdzaam meisje valt voor een egoische huichelaar. Beide personages sterven uiteindelijk aan hun liefde.

Diderot schrijft zijn tekst in dialoogvorm. Zijn verzonnen toehoorder onderbreekt hem steeds met uitroepen, vragen en vooral aansporingen om verder te vertellen. Dat is een beproefde truc om de lezer erbij te betrekken, maar wat is daartegen als je het met die toehoorder alleen maar eens kunt zijn?

Meer over