Zweven in het hier en nu

De carrière van beeldhouwer Alexander Calder nam een wending toen hij Mondriaan ontmoette. Het Gemeentemuseum Den Haag laat zien wat er daarna gebeurde.

Wat zou je kiezen als je 'het beslissende moment' van je leven zou moeten benoemen? De verhuizing naar X? Toen je ontdekte dat je kon schrijven? Het kiezen voor of juist dumpen van die baan?

Het antwoord zal arbitrair zijn, maar wel een leuke dramaturgische ingreep, in een handomdraai is je leven een verhaal of een film geworden.

In het Gemeentemuseum Den Haag is die kunstgreep nu tot in de puntjes uitgevoerd. Het leven en oeuvre van Alexander Calder, de grote Amerikaanse beeldhouwer en uitvinder van de mobile (waardoor zijn kunst zich behalve via musea ook wereldwijd via kinderkamers heeft verspreid) is op de expositie Alexander Calder - de Grote Ontdekking in beeld gebracht als een avontuur dat een radicale wending nam op één beslissend moment, een dag in oktober 1930. Dat moment kun je nu zelf meemaken.

Die dag in 1930 stapte Alexander Calder namelijk over de drempel van het atelier van Piet Mondriaan in Parijs. Calder was een begin-dertiger. Een American in Paris, die redelijk succes had met zijn sculpturen van staaldraad, waarmee hij in een handomdraai een portret of een paar balancerende acrobaten kon maken. Grote man, grote handen, zwierig op de manier van een circusbeer.

De ander: een stijve Nederlander, eind vijftig, de koning van De Stijl en alles wat modern was. Mondriaan was klein, ascetisch, een man van weinig woorden, met als enige frivoliteit een voorkeur - nee, een heilig geloof - in jazzmuziek. Horizontalen en verticalen en de primaire kleuren, daaruit bestond zijn oeuvre en zijn atelier dus ook, tot en met het bed en de zorgvuldig opgestelde stoel. Toegelaten worden tot het atelier van deze 'zonderlingste aller menschen', zoals schilder Gerard Hordijk hem omschreef, gold als een eer.

'It was the visit to Mondrian's studio that made me abstract', zou Alexander Calder later in zijn memoires schrijven. Hij begint daags erna aan een serie van twintig schilderijen die, tamelijk onbeholpen, aan Mondriaan maar ook aan zijn eerdere leermeester en vriend Joan Miro doen denken. Studiemateriaal. Hij oefent zijn hand, hij zoekt een nieuwe richting en besluit dat de rechthoeken, die voor Mondriaan de enige juiste weg waren, het voor hem niet zijn: 'I don't use rectangles; they stop', zei hij in een interview in 1962.

Maar portretten, acrobaten, dieren, het straatleven; ze worden verbannen uit Alexander Calders kunst. Niet veel later maakt hij zijn eerste mobiles met cirkels en bollen en ongelijkmatig gevormde plakken staal. Vormen die door de ruimte bewegen, de werken waarmee hij wereldberoemd zou worden.

In een standaardwerk over sculptuur uit de jaren zestig (Jack Burnhams Beyond Modern Sculpture) heet het al 'een van de legendarische gebeurtenissen in de annalen van de moderne sculptuur'. Het Gemeentemuseum heeft de anekdote uitvergroot en er een spektakelstuk van gemaakt door midden in de expositie over Alexander Calder het Parijse atelier van Mondriaan te reconstrueren en het publiek deze esthetische wasstraat in te loodsen.

Daar staan we dan, op de rechthoekige grijze en rode vloerkleedjes. Daar staat de ezel van Mondriaan. De vlakken hangen aan de muur. De grammofoonspeler is rood geschilderd. Het brilletje ligt op tafel. De bank heeft een wulps gewelfd kussen, verder alleen maar rechte lijnen.

We zijn net gewend geraakt, in de eerste zalen, aan het frivole handschrift van Alexander Calder, die als een tovenaar het profiel van Kiki de Montparnasse, of Hercules worstelend met de leeuw uit staaldraad kon vouwen. En dan, ineens, dat strenge universum van Mondriaan, die de wereld zou verbeteren met zijn haakse hoeken. Je kunt Calders verbazing in je buik voelen. Het is een combinatie van teletijdmachine, Efteling en serieuze kunstgeschiedenis die hier wordt bedreven.

Het Gemeentemuseum koos voor die aanpak omdat het zelf de grootste collectie Mondriaans ter wereld heeft en in zijn beleid zo veel mogelijk aansluiting daarmee zoekt. Met het plan won het museum vorig jaar de Turing Toekenning 2011 van de Turing Foundation van 450 duizend euro, zodat de (dure) expositie van Calder, de eerste in Nederland sinds 1969, mogelijk gemaakt kon worden. Het is een gelukkige keuze geweest, geen loos spektakel. Een omwenteling in een oeuvre verloopt meestal geleidelijk, maar dat het bij Calder als een bom insloeg (dat ritme, die kleuren, die helderheid!) begrijp je door deze reconstructie echt, beter dan welke wandtekst ook zou kunnen bewerkstelligen.

Maar het zou jammer zijn voorbij te gaan aan wat er op de expositie in Den Haag óók te zien is - zij het minder dramatisch uitgespeeld. Namelijk: dat Alexander Calder een kunstenaarstype vertegenwoordigt dat geheel uit de kunst is verdwenen.

Dat type is de geniale knutselaar. De man die gelukkig wordt van wat zijn handen voortbrengen. De bevlogen maker die zelden een andere verantwoording over zijn werk aflegt dan dat hij het niet laten kan. Kortom: de legitimatie die tegenwoordig alleen nog door amateurkunstenaars of 'outsiderkunstenaars' hardop wordt uitgesproken.

In het begin van zijn abstracte werk deed hij wel een poging tot duiding. Het universum, met zijn in hun eigen baan en tempo om- en door elkaar heen draaiende planeten, ja, daar kwam zijn gevoel voor vorm vandaan. Of een deel daarvan, want 'that is rather a large model to work from'. Maar al snel stopte ook die verklaringen, ze waren overbodig.

Kijk naar filmpjes over Calder die in de tentoonstelling draaien waarin hij met zijn knuisten en een grote tang een mensfiguur uit metaaldraad draait (Wat Alexander Calder met koperdraad bereikt, Hans Cürlis, 1929). Of een fragment waarin hij een draadfiguur van Josephine Baker, met wulps stuiterende borsten en buik, op en neer laat dansen. Hij lijkt in zichzelf terug te treden en wordt één met wat hij aan het doen is, volledig opgaand in het hier en nu, zoals een kind dat speelt of een monnik die mediteert.

Als hij zijn circus laat bewegen (regisseur Jean Painlevé legde het in 1955 nog eens vast in Le Grande Cirque Calder) en het publiek in Amerikaans-Frans toespreekt, ís hij even de directeur, de trapezewerkster of de dompteur die zijn hoofd in de bek van een stoffen leeuw stopt. Als hij de beweging van een nieuwe mobile volgt, ís hij zelf een zwevend balletje geworden, ondanks zijn grote zware lijf. De volkomen eenheid van lichaam, massa en beweging. Calder aan het werk zien, is alsof je naar een werk van hemzelf kijkt.

Op foto's staat hij als de Grote Vriendelijke Reus tussen zijn lichtvoetige mobiles in zijn atelier waar het zonlicht naar binnen plenst. 'Quiet' staat er op een bordje, want voor al die levendigheid is wel concentratie nodig. Je wenst je een opa als Calder, bij wie je stilletjes op tijdloze zondagmiddagen zou kunnen werken met al die waardeloze schatten die er liggen.

'Het is serieus zonder dat het zo lijkt', zei de kunstenaar Fernand Léger. Dat vanzelfsprekende genoegen is voelbaar door de hele tentoonstelling. Het zit in de eerste dierfiguurtjes die Calder als kind uit een stuk blik vouwde en knipte; in de honderden sieraden die hij voor zijn vrouw maakte (Calders vrouw zijn wil je ook wel). Het zit in de grillige, elegante of juist statige bewegingen van zijn mobiles en zelfs ook in de zware sculpturen, de 'stabiles' die als een spin, een miereneter of een wandelende tak op een plein staan. Vergelijk in gedachten eens de monumentale spinnen van Louise Bourgeois met die van Calder. Die van Bourgeois zijn moederlijk en vraatzuchtig tegelijk, angstaanjagend, uit een verhaal gekropen. Die van Calder zijn abstracter, niet meer en niet minder dan vorm die balans zoekt tussen grote massa en dunne poten.

Aan theorie en aan rigide overtuigingen deed de opgeruimde Calder niet, dat vond hij tijdverspilling. Het bezorgde hem een unieke plaats in de vooroorlogse kunstwereld, waar een stammenstrijd werd uitgevochten tussen Surrealisten, Futuristen en Modernisten en afsplitsingen daarvan. Als één van de weinigen stond Calder schouderophalend tussen de troepen en had vrienden in alle geledingen. Die gunde hij, ook uitzonderlijk, ook de eer van zijn 'ontdekkingen'. Het was de kunstenaar Clay Spohn die hem voorstelde zijn sculpturen alleen in ijzerdraad uit te voeren. Piet Mondriaan wees hem de weg naar abstractie, Marcel Duchamp stelde hem voor het woord 'mobile' te gaan gebruiken. En kunstenaar Jean Arp zou hem later het woord 'stabile' aan de hand doen.

Tot en met het einde, tot en met het ontwerp voor een beeld voor het museum Kröller-Müller, vlak voor zijn dood in 1976 nog gemaakt. Conservator Doede Hardeman ontdekte het vergeten model tijdens de voorbereidingen in het archief van het museum in Otterlo. Het laat zien dat Calder ook een pragmaticus was - toenmalig directeur Rudi Oxenaar schrijft hem dat 'hoewel de beer nooit vertelt wat hij in gedachten heeft, ik de hoop uitspreek dat het een combinatie van stabile en mobile is' - en dat is het. De opdrachtgever wordt niet verrast of geconfronteerd of iets geleerd of door elkaar gerammeld, maar gelukkig gemaakt, zonder dat Calder concessies doet.

De kunstgeschiedenis liep anders. De verantwoording van een kunstwerk, ironie, de inhoud, commentaar, het concept, zijn maatschappelijke plaats, het werd allemaal veel belangrijker. Alleen met vorm redt geen enkele kunstenaar het meer op het grote wereldtoneel; het moet benoemd, uitgelegd en verantwoord kunnen worden. Wie in Den Haag onder mobile door naar buiten loopt en dankzij Alexander Calder de kale takken aan de bomen, de lage boog van de winterzon of een dwarrelend zakje op straat met nieuwe ogen ziet, kan daar lichte spijt over voelen.

Alexander Calder - De Grote Ontdekking. Gemeentemuseum Den Haag, t/m 28 mei. Catalogus 254 p., €27,90

Alexander Calder hield niet van ingewikkeld. 'Als een kunstenaar gaat uitleggen wat hij doet, heeft hij daarna eigenlijk maar twee mogelijkheden: die theorie weer verwerpen, of zorgen dat zijn volgende werk in die uitleg past', zei hij in 1951. Dat zijn werk geliefd was wist hij wel. 'Ik krijg enorm veel fanmail. Iedereen is jonger dan 6 jaar.'

Gemeentemuseum Den Haag: kinderen geen bezwaar

Voor ouders die wanhopig proberen hun kinderen enige interesse voor beeldende kunst bij te brengen, gloort er hoop. Het werk van Alexander Calder is een feest der herkenning voor kinderen. En niet alleen omdat Calder de bedenker is van de mobiles waar veel baby's vanuit de wieg eindeloos naar turen. Of vanwege het vele speelgoed dat hij ontwierp en dat via fabriek en winkel in huiskamers belandde. Maar vooral omdat uit al zijn werk, van mobiles tot monumentale objecten, een kinderlijke drift spreekt zich vrij te uiten, vol fantasie en experimenteerdrift. Dat maakt hem tot een kunstenaar die niet in een andere, ongrijpbare volwassenenwereld leeft, maar een die boeit en te volgen is.

Het Gemeentemuseum in Den Haag heeft er een goede gewoonte van gemaakt bij grote exposities kinderen te betrekken. Bij de Calder-tentoonstelling is een aparte zaal ingericht voor jonge bezoekers, met een grote klos ijzerdraad, waarvan kinderen een stuk kunnen afknippen om zelf een draadfiguur mee te maken. Het resultaat kunnen ze op plankjes aan de muur zetten, waardoor er een zich telkens uitdijende expositie ontstaat. Een muurschildering geïnspireerd op het werk van de kunstenaar is vervaardigd door illustrator en kinderboekenschrijver Sieb Posthuma. In opdracht van het museum heeft Posthuma ook een prentenboek voor kinderen gemaakt over Calder. Het laat in woord en beeld de ontwikkeling van Alexander Calder als kunstenaar zien. Van het kleine jongetje dat eindeloos figuurtjes maakte uit ijzerdraad tot de grote monumentale werken op latere leeftijd. Posthuma: 'Calders werk maakt je vrolijk door zijn experimenteerdrift en vindingrijkheid. Je kunt er omheen lopen, het beweegt, is aaibaar, hoewel je het helaas niet mag aanraken.'

Marjon Bolwijn

De Draad van Alexander Calder, door Sieb Posthuma, uitgeverij Leopold in samenwerking met het Gemeentemuseum Den Haag, € 13,95.

Een eigen werkplaats toen hij 9 jaar was

Kunstenaar Fernand Léger

undefined

Meer over