Zwalkend Opel ongelukkig onder GM

Waarom hij geen Opel rijdt? Joachim Dettner, een Renault Laguna-bezitter van middelbare leeftijd, lijkt op Louis van Gaal nadat hem een héél domme vraag is gesteld.

‘Opel is het merk van de middelmaat’, zegt hij stellig. ‘En wie wil nu bij de middelmaat horen?’

Dit is wel een erg eenvoudig en onvolledig antwoord, beseft hij zelf. ‘Opel maakt niet eens zulke slechte auto’s’, nuanceert hij. ‘Mijn vader had een Opel Diplomat. Daar heb ik op school nooit problemen mee gehad. De Opel-bezitter mocht dan geen avant-gardist zijn, hij kwam overal waar hij wilde.’

Opel begeleidde de opmars van de Duitse middenklasse. Met modellen waarvan de namen en de uitvoering meer het nagestreefde dan het gerealiseerde prestige van de eigenaar tot uitdrukking brachten.

Het dak van de Opel Diplomat – die vanaf 1964 werd geprocuceerd – was, in de kenschets van de Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung, bekleed met ‘een kleverige kunststof dat er als leer moest uitzien, maar waarvan iedereen wist dat het klatergoud was’.

De Admiral en de Kapitän suggereerden meer kosmopolitisme dan waarmee de berijder was behept. De Opel Rekord – het succesnummer van de jaren zestig – was een bedaagde en betaalbare variant van ‘de Amerikaanse auto’. De Ascona wenkte naar Italië – op een moment waarop verder gelegen vakantiebestemmingen al in zwang waren geraakt.

‘Tot op dat moment kon je nog best met een Opel aankomen’, erkent Dettner. ‘Maar begin jaren zeventig leed het merk zware imagoschade met een sportief model: de Manta. Sindsdien neem ik Opel niet meer serieus.’

De Manta, die van 1970 tot 1988 werd geproduceerd, is weliswaar Duitslands meest verkochte sportauto, maar vormde ook het voorwerp van hoon en spot omdat zijn motorische prestaties niet met zijn vlotte uiterlijk overeenstemden. Er deden Manta-moppen de ronde waarvan Dettner zich er nog één herinnert. ‘Waarom roest bij een Manta het portier van de bestuurder zo snel door? Vanwege het vrijkomende okselvocht.’

Het heeft Opel, meent Dettner, de laatste decennia aan consistentie ontbroken. Deze analyse uit de losse pols komt overeen met het oordeel van de branchedeskundigen: Opel is een ‘merk zonder eigenschappen’.

Terwijl Volkswagen in hoge mate herkenbaar bleef, en BMW en Audi zich toelegden op de ontwikkeling van auto’s die de bezitter een gevoel van sociale gearriveerdheid gaven, zwalkte Opel heen en weer tussen goedmoedige, uitwisselbare types als Kadett en Corsa enerzijds en Senator en Omega anderzijds. De Omega gold onder kenners als een ‘wolf in de pels van het Opelschaap’. Op wegen zonder snelheidslimiet kon hij de BMW’s, de Mercedessen en zelfs de Porsches tot het uiterste tergen.

Maar Opel heeft nooit voor een specifieke doelgroep of voor een specifiek autotype willen kiezen. In het segment van de ‘compactvan’ verloor het de voorsprong die het in 1999 met de introductie van de Zafira had verworven. De Maxx – een vroege Opel-versie van de Smart – werd nooit in productie genomen. Momenteel is de Insignia – nu al gekozen tot ‘auto van het jaar 2009’ – Opels Hoffnungsträger. Maar marktdeskundigen betwijfelen of Opel met deze nondescripte middenklasser – zoals zijn naam suggereert – een teken kan zetten. ‘Want dat doet de auto in optisch opzicht niet. Net zo min als een Mitsubishi Carisme charismatisch is.’

Bedrijfseconomisch gaat het sinds de vroege jaren tachtig slecht met Opel. Het marktaandeel in Duitsland is sindsdien van bijna 20 tot minder dan 10 procent gekrompen. Deze ontwikkeling wordt doorgaans toegeschreven aan de liefdeloze relatie tussen Opel en het moederconcern General Motors. Voor managers uit Detroit was een, doorgaans kortstondig, verblijf in de Opel-centrale in Rüsselsheim slechts een onderdeel van hun carrièreplanning. Opel kreeg, volgens de gangbare analyse, niet de middelen en de tijd die nodig waren voor een samenhangende productonwikkeling.

De huidige crisis bij Opel draagt dus bij aan de toch al licht ontvlambare anti-Amerikaanse sentimenten in Duitsland. Volgens de gangbare opvatting werd het bedrijf als wingewest geëxploiteerd. Het merk dat uitdrukking gaf aan het levensgevoel van de goede jaren vijftig en zestig is door de Amerikanen van zijn identiteit beroofd.

In Der Tagesspiegel haalde oud-minister Norbert Blüm (CDU) zoete herinneringen op aan zijn tijd als Opelwerknemer – die hem naar eigen zeggen meer heeft gevormd dan zijn verblijf aan de universiteit. ‘Wij Opelianer scholden op de bazen aan de top van de firma. Maar als iemand van buiten op Opel en zijn chefs schold, dan sloten we de rijen, en verdedigden we alles wat met Opel te maken had.’

Alleen als zelfstandige onderneming kan Opel ooit weer gelukkig worden, menen veel Duitsers. Met het imago van het merk komt het dan vanzelf weer goed. Skoda, dat ooit model stond voor de lulligheid van het Oostblok, laat zien dat dat kan. Skoda is weliswaar ook niet zelfstandig, maar de moederonderneming – Volkswagen – is Duits. En dat is in deze sector nog altijd het waarmerk van kwaliteit. Zeker in Duitse ogen.

Bezoekers van de Opel-meeting in Oschersleben, Duitsland in 2006 bewonderen een Manta. (EPA) Beeld
Bezoekers van de Opel-meeting in Oschersleben, Duitsland in 2006 bewonderen een Manta. (EPA)
Meer over