Zwagerman leest Seks met een bijsmaak

Ideale seks is in onze tijd seks die naar niks ruikt. Anders dringen zich harde, prozaïsche associaties op met kaas en Glorix. Dooie dichters wisten wel raad met de genitale geursensatie.

HUGO CLAUS WIST - EN WIJ WETEN HET MET HEM: OP MOMENTEN VAN GEILHEID MAAKT EEN GULLE GEUR NÓG GEILER JOOST ZWAGERMAN - In de drogisterij leek het witte, bijna vierkante doosje met op de hoes een zittende vrouw in een glimmend zwart rokje en stockings een niemendalletje te beloven: een minuscuul zwartkanten slipje, in hippe verpakking. Zoiets. Het tweede doosje toonde een afbeelding van twee vrijende stelletjes. De vrouwen zitten wijdbeens op een muurtje en hebben de rokken hoog opgetrokken, zodat de benen tot hoog in de dijen bloot komen. De mannen bevinden zich staand en van de rug af gezien tussen de benen van de beide dames.

De foto toonde de belofte van een vrolijke groepsvrijage, een foursome, met misschien het vooruitzicht op partnerruil. Welk cadeautje hoorde bij die foto op de verpakking? Een ophitsend goedje? Een eigentijds equivalent van de Spaanse Vlieg?

Nadere inspectie van beide verpakkingen zorgde voor een schrikmoment. De zittende vrouw in weelderige lingerie prees, onder het mom 'I say, bye bye blaasontsteking', een pillenkuur tegen genoemde kwaal aan. En het vrolijk vrijende viertal? Zij vormden de lokvogels voor een andere slagzin: 'I say bye bye vaginaal geurtje.'

Bye bye vaginaal geurtje. Zelden eerder zal een genitaal ongemak zo zorgeloos zijn uitgezwaaid.

In de beeldtaal van Helmut Newton een product over lastige kwaaltjes aanprijzen: dat moet wel veelzeggend zijn voor onze tijd. Parallel aan deze gewiekste glamour-promotie van deze producten (die voorheen neutraal verpakt waren in dozen met op het hoesje een afbeelding van een bloem of - al heel gewaagd - het vage silhouet van een vrouw), is in de literatuur de tendens te bespeuren om zonder omwegen de eigen, maar vooral andermans kennelijke genitale onwelriekendheid in, tja, geuren en kleuren te beschrijven.

Aan bedwelmende en bevredigende seks die rechttoe rechtaan wordt beschreven, is sinds tijden geen eer meer te behalen. Heftige scènes over heftige begeerte zijn in alle heftigheid hevig gedateerd: seks als in de boeken van Jan Wolkers, Jan Cremer en in de VS van Philip Roth en John Updike wordt door veel hedendaagse lezers én schrijvers gezien als hopeloos ouderwets en zelfs kneuterig - been there, done that, boring.

Lekkere seks met een meisje of vrouw die na een snode verovering bereidwillig is - het wordt gezien als sneue folklore. Schrijven hoe het bij zo'n meisje of vrouw riekt en ziekt, vergroot daarentegen de kans op een brevet van stoerheid en vrijgevochtenheid.

Wie schrijft dat hij of zij zich met tegenzin door een geurvlag worstelt, heeft anno nu de juiste toon te pakken. Die toon is er één van opperste geblaseerdheid. Aan het maken van een nummertje gaan geen zeeën van tijd vooraf, tijdens welke men smacht en verleidt. Wat valt er nog te smachten als seks een vrij alledaagse genieting is, die in een handomdraai binnen bereik is? Seks wordt dan zelfs al bij de eerste keer routine, en routine gaat altijd gepaard met een grote vatbaarheid voor ergernissen. Aan hoe die ander ruikt, bijvoorbeeld. En daar schrijft men dan over. Aldus wordt een zilte bijzaak in veel hedendaagse romans penetrante hoofdzaak.

Neem het recente toneelstuk van Sanne Vogel, Spuiten en slikken, vernoemd naar de gelijknamige BNN-serie. Het stuk gaat over de door drugs aangejaagde seksuele escapades van een groep jongeren voor wie niks nieuw is - waardoor telkens het monster van de verveling dreigt. Deze zin, geschreven door co-auteur Hanna Bervoets, is volgens regisseur Sanne Vogel typerend voor het stuk: 'Mag ik van jou, in de categorie afknappers, dat haar kutje ruikt naar het met korstmos bedekte lijfje van een muisje, dat is gestorven aan een overdosis schimmelroquefort en daarna in een emmer vissenkoppen gevallen is?'

Het idee kan postvatten dat schrijvers genitale penetratie louter aan de vrouw toeschrijven. Maar de man gaat in recente teksten evenmin vrijuit. In het dit jaar verschenen Schootgebed van de Duitse schrijfster Charlotte Roche merkt de ikfiguur in het begin van de roman, wanneer zij aanstalten maakt af te dalen naar de genitaliën van haar man, een zekere inwisselbaarheid der geuren: 'Ik glijd (...) met mijn gezicht naar zijn kruis. En ruik zijn mannelijke geur. Die niet zo veraf ligt van die van een vrouw, vind ik. (...) Het ruikt er naar de keuken van mijn oma, nadat ze op haar gasfornuis vis heeft gebakken.'

Een pik die naar de keuken van je oma ruikt: schrijvers lijken hun best te doen om de totale - en achterhaald geraakte - vrijheid waarmee over seks wordt geschreven in te ruilen voor een totale illusieloosheid, waarbij je met enige goede wil nog kunt zeggen dat zelfs de grootste olfactorische ontluistering de lust niet kan dempen - toch een kleine troost.

In Wladiwostok! (2007) buitte P.F. Thomése de tijdgeest van de totale seksuele beschikbaarheid handig uit door een politicus (Hans) en een communicatiestrateeg (Fons) op te voeren die op elkaar lijken in geblaseerde onverzadigbaarheid. Eén van beide mannen, het maakt niet eens uit wie, bedenkt dat je je lul maar naar binnen hebt te steken en je hebt 'ze'. Die 'ze' zijn vrouwelijke collega's, hoeren, loslopende meisjes, andermans vrouwen, andermans dochters - vrijwel alle vrouwen kortom.

En totale beschikbaarheid riekt en doet rieken. 'Gadverdamme!', denkt Fons bij zichzelf als hij op de rug van zijn hand een zweem van het 'kutvocht' van weer zo'n makkelijk te pakken vrouw ruikt. 'En toen hij het rook, rook hij het overal.' En Fons besluit direct om 'de smeur' goed van zich af te spoelen.

De twee mannen in Wladiwostok! maken zich over de geur die zijzelf verspreiden geen illusies, want als het in de roman op een gegeven moment inderdaad op neuken aankomt, volgt Hans 'braaf de bedrijfsvoorschriften op' en houdt hij vooraf 'zijn lauwe, halfdikke lul die inderdaad naar pis rook' geroutineerd onder de waterkraan.

Pis is dan nog de minst aanvallige odeur, in vergelijking met wat Rob Schouten ons laat ervaren in zijn roman Lusthof (2002), waarin op zeker ogenblik twee mannen tegelijk dezelfde vrouw bedienen en de ene man tamelijk onvoorbereid geconfronteerd wordt met het geslacht van de andere: 'Chiems lul rook (..) naar bleekwater, misschien wel de universele geur van mannelijke geslachtsdelen.'

Bleekwater als een voor de man genitale condition humaine: de door de schrijver nagestreefde ontluistering bereikt hier de overtreffende trap.

Wat zou deze nadruk op de afstotende en onwelriekende aspecten van een altijd en overal voorhanden zijnde mogelijkheid tot seks te betekenen hebben? Als het altijd en overal kan, mag en moet, treedt de onverschilligheid in, en even voorbij de onverschilligheid speelt onvermijdelijk de weerzin op.

Seks als routineus tijdverdrijf, waarbij geur altijd stank is en nooit gewoon geur - het kan niet anders of deze olfactorische desillusie staat model voor een alomvattender geblaseerdheid en een groter en gecompliceerder failliet - een moreel, maar vooral emotioneel failliet.

Ideale seks is in onze tijd misschien seks die naar niets smaakt, naar niets ruikt, want zodra zich ook maar iets aan de neus openbaart, dringen zich harde, prozaïsche associaties met kazen, vissekoppen en flessen Glorix op. In een fobische en hysterische tijd is de enige draaglijke seks misschien de antiseptische seks. Steriele seks. Plastic seks. Opblaaspoppen ruiken in dit geurvijandige universum prettiger dan levende mannen en vrouwen.

Van lieverlee dringt zich de onschuldige, maar kennelijk hopeloos ouderwetse liefhebber van genitale geur- en smaaksensatie aan me op. Dooie dichters wisten wel raad met die sensaties. Bij Hugo Claus mogen vis, pis en zweet gewoon meedoen, ook al schaamt de 'zij' zich er in de majestueuze cyclus Dag jij (1971) soms voor. Ten onrechte, volgens de dichter:

De geur van haar kut & kont verwart haar,

de smaak in mijn mond beschaamt haar.

Zij is die vis niet, meent zij, met pis en zweet / maar een ander dier, deodorant in een ander / land. Daarom haten haar klieren haar soms

Elders in de cyclus bezingt Hugo Claus juist die geur: 'Je vingers mijn muilhand / je haar mijn haver / geur van leeuwin.' En: 'Kom. Er zijn nog achttien andere standen. / Groene wind, daar ruik je naar, / met huid en haar.'

Zó kan het dus ook, met een 'jij' die een geur in zich draagt die van haar een leeuwin maakt, fier staand in een 'groene wind'. En wat voor dier is intussen de 'ik' bij Claus in deze cyclus? Deze: 'een rat die daaraan ruikt.' Fijn, zo'n nieuwsgierige rat.

Dag jij, van veertig jaar her, is een verademing in vergelijking met het geur-allergische proza dat de laatste jaren zo domineert.

Goed dat we kunnen terugvallen op dichters als Hugo Claus. Hij wist - en wij weten het met hem: op momenten van geilheid maakt een gulle geur nóg geiler.

In 2012 verschijnt Zwagerman twee keer per maand.

Illustratie Cornelie Tollens The Flatland Gallery

undefined

Meer over