Zuurstof voor het stadsleven

Open ruimte is belangrijk voor steden en wordt alleen maar belangrijker nu ze steeds voller en complexer worden. Hun functie staat niet vast, ze kunnen veranderen naarmate een stad verandert....

Door Hilde de Haan en Bob Witman

Mijnheer de rechter, zei de beul, waar moet ik het rad opstellen?Op de Grote Markt, antwoordde de rechter.

De Grote Markt! De Grote Markt! Uwes weet toch dat van de Grote Markt alleen nog de naam bestaat.

Stel het rad waar je het hebben wilt.

Jawel, gemakkelijk gezeid, mijnheer de rechter. In de stad is geen plein meer een schort groot.

In het verhaal ‘De stad der opbouwers’ (1923) van de Belgische schrijver Paul van Ostaijen heeft een dictatoriaal bewind de stad in zijn greep. Om te voorkomen dat het volk gaat protesteren, worden alle pleinen volgebouwd. Maar daarmee snijdt het regime in eigen vlees. Want op welke plek in de stad kun je nog iemand fatsoenlijk ophangen of toejuichen?

Amsterdam, een stad traditioneel bewoond door vrije burgers en lastige bewoners, heeft die oerwijsheid inmiddels wel begrepen. De pleinen zijn er misschien niet zo feodaal wijds als in Parijs of Madrid, maar ze worden vanouds zeer gewaardeerd en intensief gebruikt. Door cappuccinodrinkers, door levende standbeelden, stakingsleiders, hangmannen, parkeerders, toeristen, voor spontane woede en voor spontaan verdriet.

Open ruimte – zeker nu steden steeds voller en complexer worden – is een belangrijke kwaliteit van een stad. Een stad, heeft de Canadese schrijfster en stedenvorser Jane Jacobs ooit gezegd, is in essentie een verzameling van vreemdelingen. Zelfs de bewoners van een portiek kennen elkaar vaak nauwelijks. Daarom zijn de pleinen onmisbaar als ontmoetingsplaats en vormen ze de zuurstof voor het stadsleven. Bovendien zijn pleinen niet statisch, ze veranderen mee met de opvattingen in de tijd. Juist omdat ze open zijn, kun je er van alles aan sleutelen. In het ene decennium kan een plein een parkeerplaats zijn, omdat bestuurders toegankelijkheid van de stad belangrijk vinden. Dan weer een voetgangersdomein, of een speeltuin omdat de menselijk maat voorop staat.

Neem het Mercatorplein. In de nazomer van 1952 hadden Amsterdammers zich daar massaal verzameld om Piet van Heusden, bewoner van nummer 17, toe te juichen. Hij was zojuist op de wielerbaan in Parijs wereldkampioen geworden op de achtervolging bij de amateurs. Zijn buurtgenoten waren apetrots en bereidden hem een massale huldiging voor.

Het Mercatorplein vormde het hart van een fiere arbeidersbuurt, dertig jaar eerder bedacht door architect H.P. Berlage (1856-1934). Twee vierkante torentjes die Berlage had ontworpen naar voorbeeld van de Italiaanse campanile, gaven het plein een krachtig eigen karakter: ze markeerden het als hart van de buurt. Er kwam een foto van de huldiging in de krant. Piet van Heusden zat met een krans om zijn schouders in een open auto, drommen mensen stonden wuivend en lachend op het plein of op hun balkons – de eerste frontbalkons aan Nederlandse arbeiderswoningen.

In 1998 stond er weer een feestelijke foto van het Mercatorplein in de krant. Dit keer met koningin Beatrix, die het nieuwe plein opende. Het bood nu een compleet andere aanblik dan in 1952. Er waren terrassen, er stonden gedesigned straatmeubilair, enorme straatlantaarns en een fontein van natuursteen. Er lag een nieuwe parkeergarage onder het plein, dat in de hoek opkrulde als een ezelsoor om de auto’s in zijn onderbuik toe te laten.

Berlage was nog steeds een held, dat kon je afleiden uit het feit dat een van de Italiaanse torentjes, dat in de jaren zestig in elkaar was gezakt, voor veel geld was herbouwd. Net als de kiosk die er oorspronkelijk had gestaan. Het leek wel of Berlage te midden van zo veel vernieuwing het baken was waarmee het plein zijn oorspronkelijke trotse identiteit moet hervinden.

Want die was op dat moment volkomen zoek.

De Mercatorbuurt was in een halve eeuw tijd ingrijpend gewijzigd. Een fors deel van de bewoners was nu afkomstig uit Marokko en Turkije. De autochtone bevolking was merendeels vergrijsd of weggetrokken. De nieuwkomers waren op vreemde grond, laagopgeleid en verdienden weinig. De cohesie verdween. Langzaam was de Mercatorbuurt in de greep gekomen van randfiguren, drugshandel en veel verslaafden. ‘Op elke straathoek is hier wel een moord gepleegd’, karakteriseerde een buurtwerker de vroege jaren negentig van deze wijk. De ooit zo trotse arbeidersbuurt was het Wilde Westen van Amsterdam geworden.

Het verhaal van het Mercatorplein was het verhaal van veel Amsterdamse pleinen. De oude stad had in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw haar aantrekkingskracht voor de oorspronkelijke bewoners verloren. Die waren weggetrokken en met de komst van nieuwelingen waren sociale structuren onder druk komen te staan, met de nodige repercussies op de openbare ruimte. De vertrouwde straten voelden minder vertrouwd. Een plein dat velen niet meer het gevoel gaf dat ze welkom waren, was geen goed plein meer. Zo verarmde de openbare ruimte.

Hoe ingrijpend het Mercatorplein in de jaren negentig ook werd opgeknapt, het leverde maar gedeeltelijk het beoogde effect op. Afgelopen zaterdag was er weer een feestelijke opening, na opnieuw een ingrijpende herstructurering. Het plein ziet er weer compleet anders uit. Het ezelsoor van de parkeergarage is weg, de gekke designobjecten ook. Het hart is mooi leeg gelaten – het midden van het plein is voor de gladiatoren, schreef de Romeinse architect Vitrivius al in de eerste eeuw voor Christus. En er is een paviljoen gekomen, het paviljoen dat Berlage ooit zo graag wilde op zijn plein. Het is wel een on-Berlagiaans ontwerp, van Search Architects, met een merkwaardig cirkelvormig oranje dak. Het goede nieuws is, dat het paviljoen annex café al voor opening van het plein een bijnaam had: kabouter Plop.

Of dat paviljoen en de herinrichting de buurt nu wel omhoog helpen, blijft lastig te voorspellen. Het enige dat zeker is, is dat pleinen, juist omdat ze niet zijn bebouwd, kansen bieden tot verandering. Open ruimte maakt de stad flexibel, het plein buigt mee met het humeur van de stad. Als de stad in verval is, zie je vaak de eerste signalen op het plein, als het met de stad weer beter gaat, zie je dat ook.

Zoals op het Amstelveld, een prachtig rechthoekig plein in de grachtengordel met een houten kerk van Daniël Stalpaert uit 1670. Dertig jaar geleden tippelden daar in de buurt heroïneprostituees en lagen er spuiten in de portieken. Nu is het een blakend plein, omringd door dik in de verf gezette huisjes. Of kijk iets meer uit het centrum, in de Pijp, een wijk die net als de Mercatorbuurt in de jaren tachtig was leeggelopen en vervallen, maar zich eerder heeft opgericht. Het is een levendige buurt, waar zowel autochtone als allochtone ondernemers redelijk succesvol zijn. Het Van der Helstplein in de Pijp is een echte huiskamer van een gemêleerde buurt. Het is een simpel plein met klinkers en veel bomen. Er zijn zeker geen miljoenen in gestopt zoals in het Mercatorplein, maar het functioneert uitstekend met horeca en nijverheid in de pleinwanden.

Aan het Mercatorplein zijn de lessen hard geweest. Nieuwe bestrating, een terras, designmeubilair, ze zijn geen panacee gebleken tegen het gebrek aan sociale samenhang. Het succes van een plein hangt sterk af van de welstand en de sociale mix. Uit het ‘Groenonderzoek’ dat Amsterdam in 2009 publiceerde, bleek dat het parkbezoek in twaalf jaar tijd is verdubbeld in wijken met relatief hoge huizenprijzen. Het picknicken, koffiedrinken en bankjeszitten bleef achter in wijken waar de grond goedkoop is en de huren laag zijn.

Als je tien jaargangen van stadsplattegronden waarop de woz-waarden zijn weergegeven naast elkaar legt, is te zien dat de welstandigheid in Amsterdam zich als een inktvlek vanuit het centrum zich heeft verspreid. De ‘rijkdom’ is vanuit de grachtengordel naar de negentiende en vroege twintigste eeuwse wijken gepompt. En de bewoners ervan – nieuwe stedelingen, vertegenwoordigers van de creatieve economie, dienstensector en netwerkeconomie – blijken behoefte te hebben aan fysieke ontmoetingsplekken. Facebook en smartphones houden ze niet binnenshuis. ‘De voorspelling dat de sterke verbetering van de telecommunicatieve bereikbaarheid zou leiden tot een implosie van de publieke sfeer, bleek een misrekening’, schreef de gemeente Amsterdam in het Groenonderzoek.

Dat is goed nieuws voor de exploitant van het nieuwe paviljoen op het Mercatorplein, want ook in deze buurt stegen tot voor kort de woningprijzen. Dat betekent vermoedelijk meer cappuccino’s dan twaalf jaar geleden. Dat proces van schuivende welstand in de steden wordt gentrificatie genoemd, een wat sjieke term voor veryupping. Maar gentrificatie heeft een onprettige keerzijde. Die wordt zichtbaar in wijken zoals Nieuw-West, die buiten de rondweg A10 liggen en na de Tweede Wereldoorlog zijn aangelegd.

Dat zijn de buurten waar starters op de woningmarkt, lager opgeleiden en degenen met lage inkomens terechtkomen nu veel oude stadswijken voor hen onbetaalbaar zijn geworden. De pleinen in Nieuw-West laten zien dat daar op dit moment de omstandigheden ongunstig zijn. Het helpt niet dat de buurten hier anders van opzet zijn dan de wijken van Berlage en zijn tijdgenoten. Ze zijn ontworpen toen de functionalistische stedenbouw in zwang was, die ook in de Bijlmer werd toegepast: met sterke scheiding van wonen, werken, winkelen en recreëren. Er is veel ongedefinieerde open ruimte in dit soort wijken. En er zijn grote, winderige pleinen, die oorspronkelijk leeg waren, zoals het Plein ’40-’45 en het August Allebéplein, en die van de weeromstuit eind vorige eeuw vol zijn gebouwd met winkels omdat er zo ongezellig was.

Veel planologen zijn weinig optimistisch over dit deel van de stad. De sociale fragmentatie is er groot. Toch zijn er ook positievere geluiden. Zo verscheen in 2008 de Atlas der Westelijke Tuinsteden, gebaseerd op heel precies sociologisch onderzoek naar de dynamiek van Nieuw-West. Deze maakte details zichtbaar die voor buitenstaanders niet snel waarneembaar zijn. Er werd bijvoorbeeld geconstateerd dat Turken, autochtonen en Marokkanen elk een eigen leefomgeving scheppen. Maar dat er ook plekken zijn – en dan vooral ook pleinen, markten en winkelconcentraties – waar wel degelijk uitwisseling plaatsvindt. Dat er op sommige pleinen zelfs een levendige, echte stadscultuur bestaat.

Daarmee is Nieuw-West nog niet gered. Door de versnipperde openbare ruimte mist het stadsdeel een focus, een hart dat een wijk identiteit kan geven. Wat dat betreft zou de oplossing die Amsterdam Zuid-Oost (de Bijlmer) heeft gekozen een goed voorbeeld kunnen zijn. Daar is de afgelopen jaren het langste plein van Nederland ontstaan. Het stadsdeel dat al snel na oplevering eind jaren zestig werd gezien als het voorbeeld van mislukte stedenbouw, heeft vier pleinen aan elkaar gekoppeld: het Anton de Komplein, het Bijlmerplein, het stationsplein en de Arena Boulevard zijn samengevoegd tot een pleinroute van circa 1500 meter. Dit is zeker niet de remedie voor alle problemen, maar het nu is wel duidelijk waar het hart van Zuid-Oost ligt.

Het stadsdeel Zuid-Oost heeft een oude wijsheid gebruikt: een stad is nooit af. Het is een levend organisme met ups en down en het goede van pleinen daarin is dat ze de stad een tweede kans kunnen bieden. Simpel en alleen omdat ze open zijn. In hoogtijdagen zijn ze een etalage van de stad, in slechte tijden bieden ze een aanknopingspunt om het tij te keren. Mooie open stedelijke ruimtes als de Dam, het Spui, de Nieuwmarkt en het Leidseplein zijn niet ontworpen op basis van een stedenbouwkundig ideaal. Deze pleinen hebben de eeuwen doorstaan en speelden een sleutelrol in herstel van de oude binnenstad. Dat het Mercatorplein binnen zo korte tijd opnieuw op de schop is gegaan, moet dan ook worden gezien in de traditie van het herstellend vermogen van het stadsplein.

Meer over