Zoutkamp wil de zee weer op

Groot feest wordt er in het Groningse vissersdorp Zoutkamp niet gevierd...

Door Gijs Zandbergen

De ondertekening van de capitulatie, zaterdag 5 mei in Wageningen, heeft in het Groningse vissersdorp Zoutkamp totaal geen opwinding veroorzaakt. Daarvoor zijn de vissers, die ruim drie weken geleden, op zondag 13 april, de Canadezen hebben verwelkomd, te druk bezig met het terugkrijgen van hun in beslag genomen boten uit de haven van Embden. De schepen lagen tot voor kort in die Duitse haven gevuld met nevelpotten om geallieerde bommenwerpers het zicht onmogelijk te maken.

De 35-jarige schipper Roelof Oostindiën: 'Door gebrek aan stookolie konden we toch al niet meer vissen, waardoor het niet eens zo slecht uitkwam dat we nog wat geld beurden voor die schepen. De Duitsers betaalden vijf gulden per dag per boot. Van 35 gulden per week kun je goed leven. Alleen hebben de Duitsers de laatste maanden niet meer betaald. De laatste keer dat ik naar Groningen ben geweest om mijn geld op te halen, werd ik zonder centen teruggestuurd. We moeten maar weer zo snel mogelijk aan het werk zien te komen.'

Gelukkig ziet het er, nu de oorlog officieel ten einde is, voor de Zoutkampers naar uit dat ze hun schepen binnen één of twee weken kunnen ophalen, al zal het nog wel wel oppassen zijn als ze op de terugtocht langs Schiermonnikoog varen. Zoals bekend hebben zich daar de SD'ers verschanst die op 12 april via Zoutkamp naar het eiland zijn ontkomen.

De vraag is wanneer de bevrijders zich de moeite zullen getroosten het eiland te ontzetten. Naar verluidt kan dat nog wel enkele weken duren, ook al bevindt zich onder de Duitsers aldaar de beruchte SD-commandant Robert Lehnhoff, ook wel bekend als de 'beul van Groningen'.

Kelnerin Aaltje Westra heeft hen op de bewuste 12 april zien arriveren in de haven van Zoutkamp. 'Ik zag een gesloten vrachtauto aankomen, waaruit een stuk of dertig Duitse militairen met hun liefjes klommen. Ze zochten de schipper van de tonnenboeier die hen naar Schier moest brengen, maar de bemanning was hem gesmeerd.

'Toen zij de motor niet gestart kregen, wilde ik gaan kijken, maar ik werd sofort teruggestuurd. Toen ik boven het gordijn wegschoof om uit het raam te kijken, werd er geschoten. De kogel sloeg vlak boven me in de sponning.

'Op een zeker moment hebben ze de motor toch aan de praat gekregen en werd Jelte Toxopeus gedwongen hen uit de haven te loodsen. Bij het Lange Hoofd mocht hij er gelukkig weer af. Het stuk naar Schiermonnikoog hebben ze zelf gevaren. Pas later begreep ik dat het SD'ers uit het Scholtenshuis in Groningen waren. Mijn verloofde is daar twee keer geweest en zegt te hopen er nooit meer terug te komen.'

Aaltjes verloofde, schippersknecht Bé Davids: 'Dat klopt, ook al heb ik gelukkig geen klappen gekregen. Omdat ik vissersman ben, had ik een vrijstelling voor de Arbeitseinsatz.

Maar toen die vrijstelling moest worden verlengd, ging dat om de een of andere reden niet door. Ik moest me melden bij Stork in Hengelo, om later naar Duitsland te worden gestuurd. De enige mogelijkheid om eraan te ontkomen leek me in het Scholtenshuis te gaan protesteren, want de brutalen hebben de halve wereld. De officier die me te woord stond, zei meteen: Das stimmt nicht. Daarna heeft hij wat getelefoneerd en zei hij dat ik maandag een vrijstellingsstempel kon gaan halen.

'De andere keer was nadat ik in een café iets had gezegd over de Duitse inval in Rusland. Dat beviel de Duitse soldaten die ook in het café waren niet en 's avonds ben ik voor verhoor naar het Scholtenshuis gebracht. De ondervrager was eerst streng. Plotseling sloeg hij om. Hij werd een een beetje vaderlijk en bood me zelfs een sigaretje aan. Ik moest beloven het nooit meer te doen. Bij het weggaan zei hij: auf wiedersehen. Ik hoop van niet, antwoordde ik.'

Davids erkent dat het tamelijk naïef was grapjes te maken tegenover een hoge Duitse militair. Volgens hem komt dat doordat de dertienhonderd inwoners van Zoutkamp gedurende de gehele oorlog een compagnie van tweehonderd Duitse militairen in het dorp gelegerd hebben gehad. Met de jongens (later mannen van in de zestig) werd weliswaar geen vriendschap gesloten, maar vijandig was de stemming evenmin.

Davids: 'Ze hielden zich gedeisd, net als wij. Toen je nog kon vissen, moest je bij het uitvaren het nummer van je schip opgeven en je bij terugkeer weer melden. Dat was alles. Door gebrek aan brandstof kon je minder varen, maar er werd veel meer voor de vis betaald dan in de jaren dertig. Er heerste hier toen echt armoe .

'Met de spertijd viel het ook wel mee. Ik ben nog eens naar Heerenveen wezen kijken, dat toen kampioen kon geworden. Maar die zondag was er kennelijk ergens iets gebeurd en werd opeens de spertijd vervroegd. Zodoende konden we niet meer vanuit station Grijpskerk terug naar Zoutkamp. We deden het toch en werden aangehouden. Maar toen we het uitlegden, deden ze er niet moeilijk over. Zo ging het eigenlijk de hele oorlog door. Je maakte er met elkaar het beste van. Die jongens zaten er ook niet voor hun lol.'

Davids benadrukt dat er in Zoutkamp weliswaar geen ondergrondse was, maar ook geen NSB'ers, althans geen fanatieke. Afgelopen winter, toen de brandstof opraakte, werden er van het loodsterrein geregeld beschoeiingspalen gestolen om in de kachel op te stoken. Die palen werden in stukken gezaagd in de klompenmakerij waar hij toen werkte. Een dorpsgenoot die lid was van de NSB is toen nog komen waarschuwen dat we niet zo'n herrie moesten maken, want de Duitsers konden dat gezaag ook horen.'

Davids verwacht niet dat er in Zoutkamp een optocht of iets dergelijks zal plaatsvinden. Daarvoor, denkt hij, moet men naar Ulrum of Leens gaan. Daar is de oorlog veel harder geweest met doden en opgepakte joden. Daar woonden ook landverraders en moffenhoeren. In Zoutkamp is daar geen sprake van geweest. Davids: 'Wij zijn vooral opgelucht dat het voorbij is. En nu zo gauw mogelijk de zee weer op.'

Meer over