Zou u niet eens jij zeggen

Tegen wie zeg je u en tegen wie zegt u jij? Elke taal kent zijn eigen oplossing, eentje die voortdurend verandert....

In het tv-programma Buitenhof had Paul Witteman onlangs Hans van Mierlo als gast. Witteman sprak Van Mierlo keurig aan met een respectvol 'u'. Vervolgens schoven mindere goden aan. Die heetten opeens gezellig 'jij'.

De woordkeuze van Witteman is een voorbeeld van hoe sprekers in heel Europa schipperen met aanspreekvormen in de tweede persoon enkelvoud. Wanneer is 'u' de aangewezen vorm, en wanneer mag 'jij'? Gisteren en vandaag houdt het Forum van Europese Talen in Parijs een wetenschappelijk colloquium over die aanspreekvormen.

Taalkundigen uit alle hoeken van Europa en zelfs uit Latijns-Amerika vertellen over deze problematiek in hun taalgebied. Het gaat er over tutoyeren (jij-zeggen) en vouvoyeren (u-zeggen) in Zweeds, Fins, archaïsch Engels, Frans, Duits, Nederlands, Vlaams, Italiaans, Spaans, Portugees, Pools en Hongaars.

Dr. Hanny Vermaas bespreekt in Parijs het Nederlands. Probleem is dat onze taal nooit scherp heeft aangegeven in welke situatie welke vorm min of meer verplicht is, aldus Vermaas. 'In Frans, Duits, Italiaans en Spaans is de instructie duidelijk: je zegt altijd ''u'', behalve als . . . Zulke regelgeving heeft het Nederlands nooit gekend.' Gevolg is uiteindelijk dat in alle ons omringende landen de omgangsvormen beleefder zijn dan in Nederland.

Kennen de meeste andere talen van oudsher duidelijk twee onderscheiden aanspreekvormen, het Nederlands heeft er langdurig maar eentje gehad. De Middelnederlander zei nog 'ghi' en 'du', vertelt Vermaas. Maar het informele 'du' kreeg uiteindelijk zo'n neerbuigende klank, dat het gaandeweg verdween.

Het zuidelijke 'gij' paste zich in de 17de eeuw aan de Hollandse tongval aan en werd 'jij', waarmee er nog maar één officiële aanspreekvorm overbleef voor alle situaties. Pas in de 19de eeuw deed 'u' zijn intrede in de spreektaal als onderwerp van de zin. 'U' is vermoedelijk afgeleid van de papieren aanspreekvorm 'uwe edelheid'.

Vermaas enquêteerde verspreid over Nederland vijftienhonderd mensen uit drie generaties over hun aanspreekvormen: jongvolwassenen (tot 19 jaar), hun ouders (40 plus) en hun grootouders (vanaf 60 jaar). In vergelijking met de oude generatie is de middengeneratie veel minder 'u' gaan zeggen; de jonge doet dat nog minder.

Volgens Vermaas is de informalisering onder jongeren in Nederland relatief ver doorgeschoten. Dat komt mede doordat bijvoorbeeld Duitse en Franse kinderen hun ouders altijd al tutoyeerden. Alle andere volwassenen heetten 'u'.

In Nederland was 'u' als aanspreekvorm van ouders lange tijd gebruikelijk. 'Jij' zeggen tegen vader en moeder is pas iets van de laatste decennia. Daardoor is bij Nederlandse jongeren verwarring ontstaan over de correcte aanspreekvorm voor volwassenen.

Toch spant het Zweeds de kroon wat betreft informaliteit. Taalkundige Eva Martensson vertelt dat haar taal zelfs helemaal geen formele vorm kent. In Zweden worden alleen de leden van het koninklijk huis aangesproken met hun titel in plaats van met hun voornaam, en niet getutoyeerd. Voor de rest heet iedereen 'du', 'jij'.

Toch voelen veel Zweden zich niet altijd prettig bij die situatie. Daarom hebben ze een rijk scala aan omslachtige formuleringen ontwikkeld, om de tweede persoon enkelvoud maar helemaal te kunnen omzeilen. Een voorbeeld: aan deftig bezoek vraag je niet 'Wil je een kopje koffie?', maar 'Zou het niet prettig zijn een kopje koffie te drinken?'.

Het Duits staat in Nederland bekend om zijn strikte omgangsvormen. Dat hangt er maar net vanaf welke leeftijdscategorie aan het woord is, aldus prof. dr. Peter Eisenberg, taalkundige aan de universiteit van Potsdam. Hij heeft cijfers: 60 procent van de mensen tot 29 jaar gebruikt juist voornamelijk 'du'. Ook van de bevolking van 30 tot 44 jaar zegt 40 procent doorgaans 'du'. Oudere Duitsers zijn formeler: van de groep 45 tot 60 jarigen gebruikt slechts 24 procent vooral 'du'; boven de 60 jaar is dat nog maar 14 procent.

Eisenberg ziet grote onderlinge verschillen tussen gebruikers van het Duits, dat met 90 miljoen mensen de meest gesproken taal van West-Europa is. In het vroegere Oost-Duitsland was 'du' de verplichte aanspreekvorm, bij wijze van afgedwongen solidariteitsuiting. Na de Wende in 1989 waren veel Oostduitsers juist opgelucht dat ze weer 'Sie' konden zeggen om indien gewenst afstand te scheppen.

Conclusie van alle deelnemers aan het colloquium is dat het informele 'jij' in de 20ste eeuw sterk is opgekomen, vooral vanaf de jaren zestig. De populaire aanspreekvorm worstelt door de tijden en de talen heen echter met een imagoprobleem.

Mensen verlangen eerst naar gelijkwaardigheid en een blijk van vertrouwen, maar als die situatie eenmaal is bereikt, hebben ze alsnog behoefte aan een manier om respect te betuigen of om enige afstand te scheppen. Daarmee is 'u' in alle talen opnieuw in opmars.

Meer over