'Zonder auto ben je als arme kansloos'

De Franse journaliste Florence Aubenas, die in 2005 bekend werd als gegijzelde in Irak, werkte een half jaar aan de onderkant van de samenleving....

Door Ariejan Korteweg

Uitgever Olivier Cohen komt binnen: een collega heeft hem net gebeld om trots te melden dat hij van een boek over kinderopvoeding al 160 duizend exemplaren heeft verkocht. Met Aubenas, had hij geantwoord, zitten wij op 210 duizend – in één week. Bij een debatavond met haar in Straatsburg moesten honderd mensen buiten blijven staan.

Vijf jaar geleden was ze wereldnieuws. De reporter van het dagblad Libération werd een half jaar in Irak gegijzeld. Haar portret hing op reuzenformaat aan de gevel van Franse stadhuizen.

Begin vorig jaar vertelde ze haar collega’s dat ze een jaar verlof nam om in Marokko een roman te schrijven. Als ze belden, zei ze dat het heerlijk weer was, en dat ze aan haar vierde kop muntthee begon.

In werkelijkheid vertrok ze naar Caen. Ze verfde haar haren, zette een bril met vensterglas op en meldde zich bij het arbeidsbureau voor ongeschoold werk. De missie zou stoppen als haar een vaste baan werd aangeboden. Een half jaar heeft ze schoongemaakt: campinghuisjes, kantoren, kantines, de veerboot naar Portsmouth. Ze schreef er een boek over: Le quai de Ouistreham (Éditions de l’Olivier) – de kade van Ouistreham.

U was verslaggever in Rwanda, Algerije, Afghanistan, Kosovo. Waarom nu ineens Caen?

‘Ik begon in de journalistiek in de jaren tachtig, de tijd van Günter Wallraff, die ik bewonderde. De Franse pers is wat voorzichtiger, undercoverjournalistiek is minder gangbaar. En de crisis kreeg ik als het ware met de fles naar binnen. Ik dacht: het is een bekend fenomeen, en tegelijk een mysterie. Ik wil daar wat mee. Van de ene dag op de andere was het plan er.’

Toch wordt in uw boek amper over de crisis gesproken.

‘Mensen hebben het er niet over. We hebben het al zo lang moeilijk, zeggen ze. Voor hen is de crisis eerder een vertrouwenscrisis. Ze zien mijn wereld, die van de media, als een leugen. De crisis? Een verzinsel, een argument om de belastingen en de prijzen te verhogen en hen nog verder uit te kleden.’

Wat heeft het verblijf aan de onderkant van de arbeidsmarkt u geleerd?

‘Niets en alles. Crisis, werkloosheid, armoede, dat is allemaal geen nieuws. Ik heb geen kinderen van 8 jaar ontdekt die ergens in een kelder de hele dag zitten te naaien. Dus als je zelf aan de beurt bent om naar het arbeidsbureau te gaan, denk je voorbereid te zijn. Tegelijk weet je niets.

‘Je komt binnen, zegt dat je bereid bent wat dan ook aan te pakken. Dan antwoordt de dame aan de andere kant van het loket: dat zegt iedereen. En achter je staat een lange rij te dringen. Je weet dat het zo is, en toch is het een schok.’

Dan wordt leven overleven?

‘Alles draait om geld. En je bent altijd te laat. Je holt om je kinderen te halen of te brengen, om benzine te tanken, beltegoed te kopen. Want dat is het vreemde: wie arm is, moet veel bezitten. Zonder auto of mobieltje ben je kansloos. Heb je geen computer en internet , dan zie je de vacatures pas als ze al vergeven zijn.’

U begon bovendien met een achterstand, want zonder schoonmaakervaring.

‘Mijn moeder was erg feministisch: schoonmaken is mannenwerk, was haar instelling. Dat ze mij op de arbeidsmarkt alleen wilden hebben als schoonmaakster, heeft iets grappigs. In Parijs heb ik een schoonmaakster. Ik woon alleen, reis veel. Ik ben van de andere kant van het glas, dat wil ik niet verbergen. Ik heb een goede baan, ben in vaste dienst; dat perspectief verandert alles.

‘Tegelijk zit je tussen gepensioneerden die wat willen bijverdienen, scholieren met gescheiden ouders, huismoeders, ambitieuze starters op de arbeidsmarkt, werkloze onderwijzers, mensen die dol zijn op schoonmaken. Je zou denken dat ik daar met mijn gedrag en taal opval, maar dat was niet zo. Ik heb me gewoon onder m’n eigen naam ingeschreven. Het is als met je bakker: kom je hem in een café tegen, dan herken je hem niet.’

U bent als schoonmaakster op zeker moment getuige van een geval van kantoorliefde, waarbij uw aanwezigheid volledig genegeerd wordt. Die onzichtbaarheid, was dat de grootste schok?

‘De onderkant van de arbeidsmarkt is een wild en rechteloos gebied. De vakbond interesseert zich niet voor je, zelfs bij demonstraties zien ze je liever gaan dan komen. Je komt een kantoor binnen, zegt bonjour en iedereen kijkt je vol verbazing aan.’

Barbara Ehrenreich was een paar jaar geleden in De achterkant van de Amerikaanse droom persoonlijker in haar benadering. Waarom houdt u uzelf erbuiten?

‘Ik wilde over het leven van anderen vertellen. Hoe ik het ervaar, is niet zo spannend. Voor mij is die bestaansonzekerheid tijdelijk. En als journalist houd ik er niet van op de voorgrond te treden.’

U schrijft met veel empathie over de mensen met wie u als schoonmaakster werkte. Hebben ze uw boek gelezen?

‘Pas toen het af was, heb ik hun verteld dat ik journalist ben. Ik wilde niet dat ze zich maanden zorgen zouden maken over het boek. Ze waren verbaasd, zeker toen ze hoorden dat ik ook veel reis voor m’n werk. Maar ze begrepen dat ik hen niet in verlegenheid wilde brengen. De baas van de veerboot naar Engeland waar ik heb gewerkt, was erg tevreden. Hij is al geïnterviewd door de plaatselijke krant.’

Waarom schreef u nooit een boek over uw leven als gijzelaar?

‘De gijzelnemers maakten me vaak bang. Maar soms, als dat niet hielp en ze wat van me gedaan wilden krijgen, waren ze een beetje aardiger. We gaan je niet doodmaken, zeiden ze dan. Je komt vrij, en dan kun jij een boek schrijven en word je net zo beroemd als Lady Di. Dat boek schrijf ik niet, omdat ik hun dat plezier niet gun. Bovendien waren we met een aantal gevangenen. Tussen gijzelaars onderling ontstaan snel conflicten. Iedereen heeft later zijn eigen waarheid; dat zie je aan de afloop van de gijzeling van Ingrid Betancourt. Daar wilde ik me niet in begeven.’

Op websites las ik het verwijt dat u een arrogante Parisienne zou zijn, die met een boek geld verdient over de rug van arme Fransen.

‘Ik kan dat begrijpen. Maar als journalist zoek je altijd andermans leven op. Als dat in Irak of Afghanistan is of bij daklozen, spreekt niemand over arrogantie. Een journalist is als een wiskundeleraar in een klas waar niemand van wiskunde houdt. Maar omdat jij het bent en door hoe je vertelt, krijg je de klas toch mee.’

Meer over