Zondagmiddag

Ik moest naar Wageningen. Daar kan je op verschillende manieren komen. Te voet. Met de trein. Op de fiets. Ik ging met de auto....

Martin Bril

Dat dan weer wel.

De zon scheen. Het was ook nog zondag. Een betere combinatie is er niet. Ik was niet de enige die er zo over dacht. Al bij Utrecht stond ik in de file. Na drie kwartier bleek het oponthoud veroorzaakt te worden door een oude Daihatsu die er midden op de weg mee op was gehouden. Het wagentje vormde ontzield het centrum van een hele kluit geuniformeerde hulptroepers. Ze waren allemaal aan het bellen, of aan het roken. De Surinaamse familie die in de Daihatsu had gezeten, verpoosde op de vangrail; vader, moeder, twee kinderen met roze strikken in het haar.

Bij Leersum verliet ik de snelweg om het laatste stuk binnendoor te rijden. Kent u die uitdrukking, ‘binnendoor’? Dan zie je nog eens wat, en al doende kun je genieten van de natuur. Dat is een perfecte combinatie. Maar niet op zondagmiddag.

Zo bleek.

Ik kwam terecht in een lange colonne auto’s die of onderweg waren naar het Leersumsche Veld, of naar het Zuilensteinse bos, of naar kasteel Amerongen en het bijbehorende stadje. Het was werkelijk bizar. Niet alleen op de weg was het druk, ook op de fietspaden ernaast. Een eindeloze stroom wandelaars, mountainbikers, gewone wielrenners, peddelende echtparen met kinderen op kleine fietsjes met vlaggen, wandelaars, nordic walkers en hier en daar zelfs scootmobielers. Stapvoets reed ik door Leersum (waar ze een mooie rotonde met schapenkunst hebben; het schapenlichaam is een oude zwerfkei en de oren zijn van metaal en eraan vastgezet) en toen reed ik mezelf vast in Amerongen.

Een gekkenhuis.

Je vraagt je op zulke momenten af: wat bezielt de mensen? Hebben ze geen tuin? Hebben ze geen stoep waar ze op kunnen zitten? Moeten we werkelijk allemaal op dezelfde dag uitrukken om een paar bomen in herfstpracht te bewonderen? Zijn er geen goeie foto’s van, op het internet? Kan niemand ze zich herinneren, die bomen? Ik passeerde een paar stampvolle terrassen waar iedereen gekleed ging in vrolijke Perry-jacks en zat te bellen en reed toen richting Elst, achter een paar auto’s met zo’n fietsenrek achterop.

Rechts: de Nederrijn.

Links: mais, bossen.

Ik kwam langs Remmerden en toen was ik al in Rhenen. Ook daar was het een drukte van belang. Het leek wel jaarmarkt. Maar gelukkig kwam daarna de Grebbeberg en het bijbehorende oorlogskerkhof. Daar was het gelukkig stil, maar ik had geen tijd om uit te stappen – ik moest immers in Wageningen zijn, en niet voor de lol. De weg gleed de berg af en via Nude kwam ik Wageningen binnen. Daar waren de belangrijkste verkeersaders afgesloten voor doorgaand verkeer.

Fijn.

Uiteindelijk kwam ik toch op het 5 mei-plein uit, bij Hotel De Wereld. In de lobby hangen grimmige foto’s van mannen in lange, leren jassen die de capitulatie tekenen. Ik nam buiten plaats op een bankje. Aan de overkant was een pannenkoekenhuis dat vandaag goeie zaken ging doen. Maar nu komt het wonder: er gebeurde verder niets in Wageningen. Geen hond! Een diepe, prachtige, zomerse stilte – alsof het stadje zuchtte onder een hittegolf. Oké, op een gegeven moment kwam een rode bal voorbij rollen; daar hoorden twee boerengolf-spelende jongemannen van het studentikoze type bij. Ze hadden hun sweaters om hun middel geknoopt. Ik kneep mijn ogen toe en genoot van de zon.

Meer over