Zoetermeer is nu al niet meer nieuw

En dan bloedt moeder dood, en dan houdt zusje haar broertje onder water tot hij niet meer beweegt, en ook de jonge konijntjes die levend uit de buik van hun platgereden moeder kwamen - ook die zijn doodgegaan....

De nieuwe Zoetermeer is uit.

In haar 'redactioneel' veronicaat de redactie de lezers toe: '. . . want je houdt gewoon van mooie literatuur, of die nou over oorlog gaat of niet, en je houdt van het nu, en van jezelf, en van iedereen.'

De verhalen zijn mooi opgeschreven, mits je van Bret Easton Ellis houdt ('schreef het sensationele, onovertroffen, schokkend-mooie, bijtende en wrang-wrede Less Than Zero, de moeder aller Nix-literatuur'), van Denis Johnson, Herman Brusselmans, de vergeten Johan de Meester (1860-1931) en van dichters als Gottfried Benn, Georg Trakl en Thomas Bernhard.

Schrijvers die met elkaar gemeen hebben dat ze niet al te vrolijk tegen de wereld aankijken en die hun medemens vooral beschouwen als lastige passanten die ten slotte, dood of levend, moeten worden achtergelaten aan de kant van de weg. Zoals dat gaat in roadmovies.

'''Ik ga ervandoor vanavond'', zeg ik. ''Ik heb hier te lang gezeten.'' ''Hoezo?'' vraagt Mona, de andere kant op kijkend.

''Het is gewoon net 'n film die ik al 'ns eerder heb gezien en ik weet wat er gaat gebeuren'', zeg ik tegen haar. ''Hoe de hele zaak gaat aflopen.'' Mona zucht en staat daar alleen maar. ''Wat doe je hier dan eigenlijk?'' ''Ik weet het niet.'' ''Hou je van d'r?'' ''Nee, maar wat zou dat?'' vraag ik. ''Als ik dat wel deed - zou dat helpen?'' ''Het is gewoon dat alles aanvoelt alsof het niet meer dan bijzaak is'', zegt Mona.' (Bret Easton Ellis).

Het vervelende van roadmovies is, dat je er daar geen twee van achter elkaar moet zien. Dat gaat namelijk stierlijk vervelen. Dat is een probleem van Zoetermeer nummer twee. Wie nummer één heeft gelezen, zal nauwelijks meer opkijken van de keus voor Gottfried Benn, Thomas Bernard, Georg Trakl, Johan de Meester, Bret Easton Ellis en Denis Johnson.

Schrijvers aan wie je je, als Zoetermeer, geen buil kunt vallen, maar die van dit tweede boek meteen een gelikt nummer maken. Vooral omdat ook de rest van de keuze deze keer weinig avontuurlijk is: kwatrijnen van Hugo Pos (1913), een klassiek, poëtisch verhaal van Ding-Xiaoqui, een schattig dingetje waarin Maria Stahlie de lotgevallen beschrijft van een tientje dat maar geen geld wil worden, en (voor)publikaties van reeds verschenen romans van Kees van Beijnum en Arjan Witte.

Zoetermeer nummer twee laat de lezer achter met een vaag, onbestemd gevoel dat het een blad zou kunnen zijn, of worden, waarin iets op het punt staat. . . Iets nieuws? Wild? Anders? Maar waarin 'het' voorlopig maar niet wil gebeuren.

Wat is er mis met lezers van literaire tijdschriften dat redacties ze tegenwoordig met regelmaat menen te moeten straffen met een fikse dosis taaie psychoanalyse? Vorige maand joeg De Gids al zijn abonnees weg met onverteerbaar academisch gewauwel over de Sloveen Zizek, nu probeert Dietsche Warande & Belfort (DWB) iets dergelijks met het verschijnsel postmoderne fotografie.

Ze kunnen er ook wat van! Victor Burgin bijvoorbeeld, 'wou illustreren dat, hoewel de orale drift een effect heeft op de onbewuste organisatie van elk subject, de specifieke vorm van dat effect zal afhangen van ieders persoonlijke geschiedenis. Maar toch bestaan individuele bewerkingen van driftrepresentaties naast fantasiescenario's waarvan de gemeenschappelijke, transindividuele trekken kunnen worden opgespoord over de verschillen tussen individuele ''versies'' heen.'

En in de stukken van Sigrid Ernst-Fuchs en Kerstin Jäger wordt het er amper beter op. ('De schriftuur van de mythe, die ieder subject vermijdt, wordt hier vervangen door subjectieve, poëtische uitspraken, die echter ook dubbelzinnig blijven en niet kunnen worden ontraadseld.')

Dat krijg je als je zo'n prachtig onderwerp in handen geeft van academici en theoretiserende kunstenaars, en niet van mensen die kunnen schrijven. De speciaal voor dit thema ingehuurde gastredacteur Dirk van Bastelaere had die stukken beter in zijn eigen woorden kunnen navertellen in plaats van ze te vertalen. Of beter nog: ze helemaal weg kunnen laten en in plaats daarvan bij zijn eigen - wel leesbare - artikel wat meer van die prachtige, verontrustende postmoderne foto's afdrukken. Want die blijken voor zichzelf te kunnen spreken!

Door al dit onnodig moeilijke gedoe raakt de literatuur om te lezen in DWB in de verdrukking.

Maar alleen al de 'kinderverhalen' van Peter Bichsel maken dit nummer voor een literatuurliefhebber toch de moeite waard. De verhalen van Bichsel (60) zijn verbijsterend, in hun eenvoud, en in de verwarring die ze zaaien. DWB drukt er twee af: over de man die alleen nog maar 'Jodocus' zegt (maar niet heus), en over een man die alles anders ging noemen.

'Het bed noemde hij schilderij.

De tafel noemde hij tapijt.

De stoel noemde hij wekker.

De krant noemde hij bed.

De spiegel noemde hij stoel.

De wekker noemde hij fotoalbum.

De kast noemde hij krant.

Het tapijt noemde hij kast.

Het schilderij noemde hij tafel.

Het fotoalbum noemde hij spiegel.'

Zodat hij ten slotte moest lachen als hij mensen in hun taal hoorde praten en dingen zeggen als 'Ik heb een oom in Amerika'.

Verder in DWB enkele gedichten van Elma van Haren ('Traag dronken worden op likeuren/ is verre te prefereren boven/ het trapsgewijs geschokschouder/ van dronkentorren-whiskey,/ tamtam van bruine rum/ of grinnikende gin'); een beschouwing van Wiel Kusters ('Soms maakt een gedicht andere verzen wakker. En via de lezer praten ze met elkaar.'), en een verhaal van Geerten Meijsing, waarin ene Gordon zich uit volle overtuiging met het celibaat verzoent.

Michel Maas

Zoetermeer, boek twee. ¿ 14,90.

Dietsche Warande & Belfort, 1995/2. ¿ 16,50.

Meer over