Zo verbrokkelt Nederland als cultuureenheid

Onderwijs is de gedeelde basis van de samenleving en kan dus niet worden overgelaten aan gemeenten en provincies, stelt Jaap Dronkers....

Jaap Dronkers

In het voorstel van Louise Fresco en Alexander Rinnooy Kan (Forum, 1 december) voor een andere inrichting van het onderwijsstelsel zitten tenminste twee onduidelijkheden, die op zijn ergst ontwerpfouten zijn.

De eerste onduidelijkheid heeft betrekking op de gelijke financiële armslag van basis- en secundaire scholen. Het voorstel zegt dat de geldstroom verregaand gedecentraliseerd kan worden, naar de gemeenten voor het primair onderwijs en naar de provincies voor het secundair onderwijs. Ik neem aan dat deze decentralisatie niet alleen een administratief doel dient, een regeling langs welke kanalen het geld van de rijksoverheid terecht komt bij scholen. Als het alleen maar om een administratieve herschikking gaat, is dit voorstel immers overbodig. Het rijksoverheidsgeld voor het primair onderwijs wordt al via de gemeenten overgemaakt aan scholen.

Het voorstel moet wel bedoelen dat gemeenten en provincies zelf gaan bepalen hoeveel geld zij op welke wijze aan scholen gaan besteden. Het rijksoverheidsgeld is dan niet meer geoormerkt voor het basis- of secundair onderwijs. Ook maakt dit voorstel het mogelijk dat gemeenten en provincies ‘eigen’ geld steken in hun onderwijs, bijvoorbeeld door extra gemeentelijke of provinciale belastingheffing.

Dat lijkt erg mooi, maar in de praktijk betekent het dat arme gemeenten minder geld kunnen besteden aan hun onderwijs. Scholen in arme gemeenten kunnen geen concurrerende salarissen betalen aan leerkrachten, moeten onderhoud aan scholen en leermiddelen uitstellen, et cetera.

Dit is geen overtrokken nachtmerrie, maar de realiteit in de Verenigde Staten. Daar worden scholen gefinancierd uit de lokale grondbelasting. Arme schooldistricten kunnen maar weinig grondbelasting innen en de scholen in die arme districten kunnen daarom alleen slecht betaalde en ondergekwalificeerde leerkrachten krijgen. Ook hebben zij slecht onderhouden schoolgebouwen. Scholen in districten die veel grondbelasting kunnen innen, kunnen de beste leerkrachten krijgen en hebben de mooiste gebouwen.

Gelijkwaardige huizen in deze arme en rijke schooldistricten worden toch verkocht voor verschillende prijzen, omdat een huis in een bepaald schooldistrict een toegangsrecht tot een arme of rijke school verschaft. De buurtverschillen nemen zo verder toe.

Omdat de band tussen lokale grondbelasting en schoolfinanciering in de VS zo moeilijk verbroken kan worden, zijn sommige staten begonnen met het overhevelen van geld van rijke naar arme schooldistricten. Dat stuit op veel weerstand bij de bevolking en in de politiek (te vergelijken met de weerstand tegen het overhevelen van geld van arme naar rijke woningbouwcorporaties in Nederland).

In continentaal Europa bestaat de noodzaak tot dit soort overhevelingsprogramma’s niet, omdat de Franse revolutionairen (en hun navolgers) de gelijke financiering van scholen een overheidstaak vonden, die het onderwijs uit de handen van de kerk en lokale machtsverhoudingen zou bevrijden, en waardoor meer gelijkheid tussen de burgers zou ontstaan. De gemiddeld lage scores op internationaal vergelijkende toetsen van 15-jarige leerlingen in de VS laat zien dat het bestaan van arme scholen en schooldistricten het gemiddelde peil flink omlaag haalt.

De tweede ontwerpfout heeft betrekking op de inhoud van het onderwijs. In het voorstel lijkt het erop dat de direct betrokkenen (ouders, leraren, werkgevers, lokale gemeenschap) die inhoud gaan bepalen, binnen de heel brede kaders van de eindtermen van de rijksoverheid. De inhoud van het basis- en secundair onderwijs speelt echter een grote rol in de vorming van de nationale identiteit van samenlevingen. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom de lidstaten van de Europese Unie in het verdrag van Maastricht het onderwijs een nationale aangelegenheid hebben gelaten. Een gemeenschappelijke munt (zoals de euro) is voor de nationale identiteit minder bedreigend dan Europees gemeenschappelijk onderwijs.

Door de inhoud van het basis- en secundair onderwijs over te laten aan de lokale gemeenschap, ouders en leerkrachten, kan het nationale curriculum snel versplinteren. In sommige gemeenten (Bloemendaal, Wassenaar) zou men heel goed voor Engelstalig basisonderwijs kunnen kiezen, want dat sluit het best aan bij de wensen van de ouders en de gewenste toekomst van hun kinderen. Nederlandse taal en cultuur zal snel tweederangs worden, want het past niet meer in het kosmopolitische perspectief van ouders, leerlingen en werkgevers.

In Limburg kiezen grensscholen wellicht voor Duitstalig onderwijs, want in dat grote buurland liggen de meeste mogelijkheden. Provincies als Noord-Brabant, Limburg en Overijssel zullen voor hun secundair onderwijs overeenkomstige keuzen maken door zich te oriënteren op hetzij Vlaanderen, hetzij Duitsland. Langzamerhand hand verbrokkelt zo Nederland als cultuureenheid, omdat Nederlanders geen gedeelde basis in hun onderwijs meer kennen. Want onderwijs draagt via zijn inhoud bij tot de vorming van die denkbeeldige gemeenschappen, zoals de Nederlandse natie.

Kortom, de inhoud van het onderwijs is te belangrijk om aan lokale gemeenschappen of werkgevers in afzonderlijke gemeenten en provincies over te laten.

Het voorstel van de SER-leden Fresco en Rinnooy Kan bevat dus grote onduidelijkheden en laat wellicht ook een ernstig gebrek aan inzicht in de maatschappelijke rol van het onderwijs zien.

Meer over