Zo bleef het volk rustig, dachten de bezetters

Sport in de oorlog? Waarom nu? Omdat de afgelopen week natuurlijk de Dodenherdenking en 5 mei waren. En omdat het de makers van het voormalige literaire sportblad Achilles vermoedelijk aardig leek uiteen te zetten welke rol sport in ons land speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog....

Kom maar op. Er werd ontegenzeglijk gesport, voor én tijdens de bezetting. Sterker, toen de Duitsers op 1 mei 1940 het land binnenvielen, veranderde er nauwelijks iets voor sportend Nederland. De bekendste atleten gingen door waarmee ze bezig waren. Een bekende uitzondering was de bokser Ben Bril, maar die was dan ook joods.

Keek de bezetter niet met afschuw naar sportende Nederlanders? Integendeel, blijkt uit dit themanummer waarvoor de auteurs onder meer voetbal, boksen, hockey, gymnastiek en schaatsen onder de loep legden. De Duitsers lieten het sporten begaan en stimuleerden het zelfs. Zo bleef het volk rustig, met als ultiem doel om Nederland zichzelf te laten ‘nazificeren’, schrijven de samenstellers Jan Luitzen en Ad van Liempt, geroemd om zijn tv-serie De oorlog.

Sport als afleiding, dus. Absoluut. Zelfs zij die ondergedoken waren, konden het niet laten af en toe hun schuilplaats te verlaten om sport te kunnen zien. Een van hen was bijvoorbeeld Tip de Bruin, de reservedoelman en latere modekoning die in vermomming naar het Olympisch Stadion kwam om zijn De Volewijckers, eind mei 1944, kampioen te zien worden tegen Heerenveen.

En hij was niet de enige. De tribunes bleven overal vollopen. In 1943 werden er, terwijl interlands al verboden waren, ruim acht miljoen kaartjes voor sportwedstrijden verkocht. ‘Het is de sport die ons dit zelfvertrouwen zal kunnen teruggeven’, viel in 1940 al te lezen in het blad Sport in beeld/Revue der Sporten. Sport was bovendien ook een manier om (goed) geld te verdienen, bleek uit de bokswedstrijden die volle zalen trokken.

Het was toch zeker geen vrijheid blijheid tot 5 mei 1945? Verre van dat. Zo hielden de Duitsers steeds meer razzia’s tijdens sportwedstrijden, die goed bezocht werden door jonge mannen. Zo hoopten ze er zo veel mogelijk op te pakken die zich aan de Arbeitseinsatz probeerden te onttrekken. Sportende joden waren voor de Duisters in de meeste gevallen ook niet meer dan ‘gewone’ joden.

Erik Brouwer beschrijft in zijn tragische verhaal hoe, geheel onverwacht, de Nederlandse vrouwenturnploeg in 1928 olympisch kampioen werd in Amsterdam. Vijftien jaar later werden vijf van de zes turnsters vermoord door de nazi’s en hun eveneens joodse gymnastiekleraar en diamantslijper Gerrit Kleerekoper ook. Sport staat boven de politiek, is een zin die toen nogal eens gebezigd werd en ook in de verhalen terugkomt. Het gold kennelijk alleen als het de Duitsers zo uitkwam.

Meer over