Zilvervisje op het lichtpad Jíri Kylián maakt een choreografie voor de Grondwet

Het publiek van het Nederlands Dans Theater kent Jíri Kylián van heldere balletten als 'Kaguyahime' en 'Sinfonietta'. In het nieuwe, avondvullende 'One of a Kind' - geschreven in opdracht bij het 150-jarig bestaan van de Grondwet - slaat de choreograaf nieuwe wegen in....

EEN hoekig eilandje van licht verschijnt op een plaats waar je het niet zou verwachten. Even verderop begint een pad, dat met haakse bochten over de orkestbak heen naar de dansvloer leidt. Op dat pad ligt een eenzame danseres. Wellustig wentelt ze zich om en om, en gaat dan energiek op weg. Ze stapt en trippelt, trekt de schouders op, beklimt de helling, draait naar links en rechts en plaatst haar armen in een winkelhaak. Zo komt ze op de grote dansvloer, waar het lichtend pad nog helemaal zo dwingend niet blijkt te zijn. Zonder omhaal stapt ze opzij, doet met zijwaarts gestoken knieën een uitval naar de flanken en strekt haar voet - voorzichtig, als naar koud water.

Wanneer een volgende danseres snel als een zilvervisje opkomt, doet ze een stapje terug. Maar wat er ook gebeurt, die eenzame danseres, als het ware namens ons op het podium aanwezig, zal steeds in de buurt blijven. Zelfs in de pauze, terwijl het publiek aan de koffie gaat, volhardt ze in een traag rekken en strekken. Zij is de constante factor in deze overigens zo grillige choreografie.

Niet eerder maakte Jirí Kylián een choreografie die zich zo tegen betekenisgeving verzet. Woorden als winkelhaak en zilvervis zijn gebrekkige hulpmiddelen om bewegingen te vangen die naar niets verwijzen dat buiten de dans ligt. One of a Kind is dans om de dans. Elke interpretatie komt voor rekening van de toeschouwer.

Dat gezegd hebbende, moet meteen een voorbehoud volgen. Het avondvullende One of a Kind (drie delen van samen zeventig minuten) is niet zomaar een choreografie, maar een werk in opdracht. Het is dezer dagen 150 jaar geleden dat Thorbecke een grondwet opstelde waarop de Nederlandse rechtsstaat werd gefundeerd. Om dat te vieren vroeg het ministerie van Binnenlandse Zaken Jíri Kylián om een speciale choreografie voor het Nederlands Dans Theater.

Artikel 1 van de Grondwet luidt: 'Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.'

Het is verleidelijk om One of a Kind te interpreteren in het licht van die tekst. Tot op zekere hoogte kan dat ook. Allereerst is daar de aard van de samenwerking. De Tsjech Kylián maakte zijn voorstelling samen met een Japanse architect, een componist uit Australië, een Duitse lichtontwerper, een cellist en een kostuumontwerper uit Nederland en dansers met veertien verschillende nationaliteiten. Dat een dergelijk team in Nederland als een vanzelfsprekendheid wordt gezien, is een van de verworvenheden die met de Grondwet samenhangt.

Een meer substantiële verwijzing vormt de werkwijze van Kylián. De choreograaf heeft zijn dansers niet opgevat als een gezelschap, maar als individuen. De choreografie is geïnspireerd door de aard en mogelijkheden van de individuele danser. Alle dansers van NDT I maken om beurten hun opwachting op het podium, en leveren een persoonlijke bijdrage. Kylián heeft een keten met louter verschillende schakels gesmeed.

Toch mondt dat niet uit in een bonte kermis. Vrijheid betekent niets als er niemand is om je vrijheid mee te delen. De vrijheid van de dansers wordt aan banden gelegd door de hand van de choreograaf, die kiest en dwingt. Zoals dat ook met individuen in een democratie als de Nederlandse gebeurt.

Meer moet er waarschijnlijk niet achter het verband tussen dans en opdrachtgever worden gezocht. Want ook de omstandigheden speelden een rol. Op het moment dat Binnenlandse Zaken hem om een gelegenheidswerk vroeg, prepareerde Kylián zich al op dit ballet. 'In die zin is het ook een beetje toeval dat de data van de première en de herdenking samenvallen', zegt hij in het programmaboek. Dit ter geruststelling van alle gasten van minister Dijkstal die zich bij de galavoorstelling het hoofd braken over de betekenis van hetgeen ze zagen.

De kracht van Kyliáns dans schuilt vaak in de overwogen vermenigvuldiging van bewegingen in tijd en ruimte. Zijn vroege, lyrische werken als Sinfonietta, Psalmensymfonie en Soldatenmis ontlenen hun dramatiek aan de grote groepen dansers die helder gedefinieerde patronen synchroon uitvoeren. Ook in zijn zwartwitte periode, met balletten als Falling Angels en Un Ballo, worden bewegingen synchroon uitgevoerd of keren later herkenbaar terug.

Dergelijk houvast wordt in One of a Kind niet geboden. Een hoogst enkele keer gaat een koppel of trio even gelijk op in dezelfde sequentie, en plaatst daarmee een ferm accent. Maar meestal is het ieder voor zich. Elke houding of pose is als nieuw, elke reeks is oorspronkelijk, geen overgang ligt voor de hand.

Dat maakt de choreografie onvoorspelbaar. Niet alleen in de wisselwerking tussen dansers, ook in de allerkleinste tijdsspanne is de uitkomst ongewis. In een oogwenk wordt geschakeld van vloeiende lijnen naar haakse hoeken. Traag buitelt een danseres over de rug van haar partner, haar been glijdend over zijn been, zijn arm, zijn rug. Armen wiegen als rietstengels terwijl de voeten een shuffle maken; met de armen als bloemkelken geheven maken de vrouwen zich los uit een omhelzing. Wijdbeens als in barensnood laten ze zich rondslingeren. Maar pas op, elk 'als' vertroebelt een dans die louter naar zichzelf verwijst.

Telkens weer wordt de beweging een momentje stilgezet, als om zich beter te laten bekijken. Uit het lood, maar nooit uit het evenwicht, want dansers van het NDT kunnen in de meest onwaarschijnlijke poses bevriezen en ontdooien.

Een paar keer in zijn loopbaan gaf Kylián er blijk van een dramatisch andere manier van werken te kunnen doorvoeren. Dat gebeurde toen hij zich na zijn lyrische periode in het begin van de jaren tachtig door de aboriginals van Australië liet beïnvloeden. Ook de reeks van zwartwitte balletten die hij tien jaar geleden inzette, vormde zo'n radicale stijlbreuk.

Steeds toonde hij zich daarbij gevoelig voor de tijdgeest in de dans. Dat verklaart wellicht waarom hij juist nu een nadrukkelijk beroep doet op de creatieve vermogens van zijn dansers. 'Voor de eerste keer is elke danser van NDT I als individu betrokken bij het creatieve proces', zegt hij in het programmaboek. Die inbreng maakt One of a Kind tot een hoorn des overvloeds, waaruit nog lang kan worden geput.

Als sprake is van een dergelijke werkwijze moet op zeker moment de naam van William Forsythe vallen, die met het Ballet Frankfurt veel heeft bijgedragen aan de emancipatie van de dansers, door hen als co-auteurs van zijn balletten te beschouwen. One of a Kind lijkt op het eerste gezicht sterk op diens avondvullende stukken, niet alleen vanwege de rol van de dansers, maar ook omdat dans, muziek, decor en licht als schijnbaar onafhankelijke entiteiten worden gehanteerd. De ongemotiveerde opkomsten en afgangen van de dansers, de eclectische bewegingstaal, het drastische spel met licht en donker, de zelfstandige inbreng van het decor - het is allemaal nauw aan Forsythe verwant.

Toch zijn er grote verschillen. Forsythe is voor alles een man van de fragmentatie. Alle ingrediënten die een voorstelling bepalen ontrafelt hij, om ze later opnieuw te kunnen verbinden. De grote inbreng van muziek en dans kan bij hem gescheiden van elkaar tot stand komen. Maar ook het allerkleinste niveau, het scharnier van arm en schouder, zelfs de hersenimpuls die dat scharnier in beweging brengt, wil hij ontleden en opnieuw monteren. Zijn dans is een wederopbouw, zijn logica moet ter plekke verband krijgen.

Bij Kylián is het tegendeel het geval. Zijn diepste streven is harmonie. Achter de schijnbare willekeur van One of a Kind gaat een allesbepalende ordening schuil. Die wordt - zoals altijd bij hem - in gang gezet door de muziek. Waar Kylián zich in de choreografie meer dan anders door zijn dansers heeft laten leiden, daar heeft hij zijn greep op de muziek juist versterkt. Gewapend met de zestiende-eeuwse madrigalen van Carlo Gesualdo, de zang van Tibetaanse monniken en de stemacrobatiek van eskimo's, en vergezeld van cellist Pieter Wispelwey met wie hij al in Arcimboldo samenwerkte, stapte hij naar de Australische componist Brett Dean.

Kylián wist tevoren dat stemmen het vertrekpunt moesten vormen, omdat zang naast dans de enige kunst is waarbij de mens aan het eigen lichaam genoeg heeft. Het concept voor de muziek was klaar toen de componist aan de slag ging. Die voegde andere bestaande klanken toe, zoals Afrikaans slagwerk, Australische vogels, het ritmische knarsen van een slecht geoliede schommel en het Lamento uit de Eerste Cello Suite van Benjamin Britten, en smeedde dat alles tot een geheel.

Tijdens de voorstelling geeft het cellospel van Pieter Wispelwey daar commentaar op, door tegen te spreken of juist versterking te bieden. Die dialogen zijn beeldend, de cellist jaagt en stampt, of knierpt als brekende ijspegels, en kan - zoals aan het begin van het derde deel - bellen van geluid blazen die met een scherpe knal openbarsten.

Dat rijke landschap van klanken is bepalend voor de dans. Ritme en dynamiek sturen de bewegingen. Juist de aard van de klank maakt de sfeer van deze voorstelling dreigender dan je van een choreografie voor de Grondwet zou verwachten.

Ook Thom Willems, de vaste componist van Forsythe, gebruikt samples voor zijn muziek. Hij bewerkt die echter zodanig dat de oorsprong niet meer is te herleiden, wat het geluid een abstracte kwaliteit geeft. In de compositie voor One of a Kind blijven de bronnen herkenbaar, waardoor de dans veel sterker wordt ingekleurd: de madrigalen van Gesualdo brengen een zweem van treurigheid, Afrikaanse trommels zorgen voor een feeststemming.

Lichtontwerper Michael Simon werkt voor beide choreografen. Voor Forsythe belichtte hij onder meer Impressing the Czar en Limb's Theorem, met Kylián deed hij grote producties als Sint Joris rijdt uit, Kaguyahime en Arcimboldo. Waar Simon bij Forsythe een zelfstandig spoor trekt, en zich niets aan de choreografie gelegen hoeft te laten liggen, daar is hij bij Kylian eerder dienend. Zijn lichtplan accentueert de ontwikkelingen in de dans, spant samen met het decor en aanvaardt soms de rol van zelfstandig decorelement, wanneer strepen, vlekken en plassen licht de bewegingen richting lijken te geven.

Het decor dat architect Atsushi Kitagawara ontwierp, bepaalt de driedeling van de choreografie. In het eerste deel staat achterop het podium een langwerpig object, alsof dat lichtpad met z'n scherpe hoeken is losgesneden en opgevouwen volgens de origami-techniek. Het tweede deel wordt bepaald door een grote kegel die met de punt schuin naar beneden hangt, naast een geplooide ruitvorm. Een vergelijkbare installatie ontwierp Kitagawara voor de showroom van glasfabriek Santeloco, die hij opdroeg aan William Forsythe en diens ballet In the Middle, Somewhat Elevated. Als op het podium de kegel gaat draaien, brengt dat inderdaad Forsythe in gedachten, maar dan eerder de reusachtige bewegende figuren uit Limb's Theorem.

In het derde deel laat Kitagawara een podiumbreed gordijn van goudkleurige strengen neerdalen. De belichting is zo uitgekiend dat niet is uit te maken of de dansers zich voor of achter dat gordijn bevinden. Vitrage of tralies, vrijheid of beperking - het wordt hier een kwestie van perspectief.

Anders dan eerdere lange choreografieën van Kylián, als Sint Joris rijdt uit, het Japanse sprookje Kaguyahime en Arcimboldo, is One of a Kind een weerbarstig werk, dat weinig spontane bijval zal oproepen. Dit is geen etalage voor virtuositeiten, geen feest der herkenning.

Haast met tegenzin lijkt de dans zich los te maken uit het schemerdonker van het decor. Het Nederlands Dans Theater is niet alleen een gezelschap dat wereldwijd volle zalen trekt; het is ook een centrum van onderzoek naar de wisselwerking tussen kunsten. Die positie wordt door Kylián krachtig onderstreept. One of a Kind is een bericht uit de kraamkamer van de dans.

One of a Kind door Nederlands Dans Theater I. Choreografie: Jirí Kylián. Muziek: Brett Dean. Decor: Atsushi Kitagawara. Licht: Michael Simon. Lucent Danstheater Den Haag, 8, 9, 12 tot en met 16 en 19 tot en met 22 mei.

De cd met muziek van Pieter Wispelwey en Brett Dean verscheen op Channel Crossing CCS 12898, * 35,-.

Meer over