'Zijn woord nooit fel, zijn bedoeling klaar' GROOTSTE ZORG VAN WILLEM DREES GOLD BALANS MET KVP

OP 21 NOVEMBER 1929 stappen alle Haagse wethouders (op één na) op, nadat de gemeenteraad een rechts-liberale motie heeft aangenomen waardoor speculanten - en zelfs raadsleden - bouwgrond kunnen kopen....

JAN JOOST LINDNER

Een paar dagen later valt de raad naar de andere kant om. De motie wordt afgezwakt om het college van burgemeester en wethouders te repareren. Drees is terug en zal later als bestuurder steeds verdedigen dat opstappen en voor de oppositie kiezen alleen in zeer uitzonderlijke situaties en om zeer principiële redenen in aanmerking komen.

De Avondpost schreef portretten van de wethouders-in-crisis. Over Drees: 'Zwart-donkere oogen. Vierkant voorhoofd. Strenge mond. Blijft altijd maar jong. Diepe ernst. Vriendelijk van gebaar. Met iets lachends. Maar raak als-'t-er-op-aankomt. Spreekt alsof het gedrukt staat. Slaat ineens de spijker op den kop. Totdat er iemand 'au' zegt. Dan gaat ie weer zitten en kijkt of er niets gebeurd is.'

Maarten Brinkman (45) is museummedewerker en historicus en schreef artikelen over de geschiedenis van de sociaal-democratie. Zijn nu verschenen proefschrift - hij promoveerde woensdag in Leiden - over Willem Drees als partijman was een langdurig (en lang onderbroken) project. Het is geen biografie, maar beschrijft nauwkeurig en fijnzinnig de relaties van Drees met de organen van SDAP en PvdA tussen 1904 en 1971 - dat jaar verliet hij bedroefd de geradicaliseerde PvdA.

Kennelijk is het een aanvullend werk over Drees, met name wat zijn glanzende carrière als fulltime SDAP-politicus betreft. Bevrijdingsdag 1945 valt pas op tweederde van het boek. De jaren van zijn premierschap komen er bekaaid af. Wat dat betreft is dit proefschrift niet zo gelijkmatig. Het is vooral van betekenis voor mensen die al het een en ander over de grote sociaal-democraat weten. Beginners kunnen beter eerst een biografie lezen, bijvoorbeeld 100 Jaar Drees, wethouder van Nederland van John Jansen van Galen en Herman Vuijsje.

Brinkmans proefschrift is waardevol en bij vlagen erg interessant. Er staan weinig verrassingen of krachtige oordelen in en het heeft een eigen, ietwat verstilde poëzie. De auteur verzamelt wel en met enige gretigheid fraaie loftuitingen die Drees in zijn leven heeft gekregen (en met versluierde ijdelheid heeft gesavoureerd). Een braaf boek, maar niet beaat.

De auteur is ook terughoudend, vaak iets te veel. De relaties van premier Drees met de ambitieuze partijvoorzitter Koos Vorrink en de al te uitbundige fractievoorzitter Marinus van der Goes van Naters hadden wel wat krachtiger belicht mogen worden. Dit geldt ook voor het wederzijdse wantrouwen tussen Drees en de latere, robuuste fractieleider Jaap Burger.

In dit proefschrift lijken alle interne wrijvingen tot functieverschillen en Drees' hang naar extreem dualisme herleid te worden. Maar menigeen heeft die hang en Drees' vrees voor 'lekken' (uit fractie én partijbestuur) als smoesjes voor geheimzinnigdoenerij beschouwd.

De latere Drees had autocratische trekken, overigens passend in de tijd van de 'Grote Regenten' (1945-1960). Zijn grootste zorg was de balans met de KVP, ter redding van de eeuwige, maar zo vaak bedreigde coalitie. Hij had er veel voor over, in de kwestie-Indonesië, maar ook bij de liberalisering van veel beleid in de jaren vijftig.

Drees was en bleef een erg principieel socialist, zoals Brinkman bij herhaling aantoont, maar breken met de KVP kon alleen maar onheil voor het land en langdurige oppositie voor de PvdA betekenen.

Met dit verhaal kreeg hij nukkige partijgenoten steeds weer plat. Ze bogen wel, maar hun mopperen over zoveel machteloosheid (ook ten opzichte van de gevierde premier) klinkt nog decennia na.

Geen commentaar krijgt in het boek de Drees van na 1958. Serieus en dogmatisch ging hij in debat met de Den Uyl van Om de kwaliteit van het het bestaan, blijkbaar vergetend hoe hij begin jaren dertig vrijwel alle SDAP-toppers te lijf ging wegens hun financieel-economisch conservatisme. In de Nieuw Links-periode wond Drees zich onmatig op; de partij ging hem én de beginselen verlaten. Brinkman noteert braaf het treurige proza van een groot man die zijn tijd niet meer begrijpt.

De waarde van Willem Drees zit vooral in de eerste helft. Brinkman boekstaaft een indrukwekkende en gestage groei in kennis en carrière tot Drees eind jaren dertig tweede man van de SDAP was geworden en de belangrijkste parlementaire woordvoerder over de crisisproblematiek. De jonge Drees had als stenograaf in parlement, provinciale staten en raden een grote beleidskennis opgedaan en die 's avonds aangevuld met alle socialistische klassieken. Hij wist meer dan zijn partijgenoten en ging tactvol met die kennisvoorsprong om: niet te breedsprakig en alleen doorduwerig als hij het echt nodig vond.

De jonge Drees kon vurig zijn. Na de Russische revolutie (1917) schreef hij zijn partijgenoten: 'De wolken breken open, die zoo lang den horizon verduisterden en verschieten openen zich van ongedroomde mogelijkheden.' Maar revolutionair sentiment ten aanzien van Nederland had hij niet, verzekert Brinkman, daarmee menig auteur tegensprekend. In november 1918 kreeg Troelstra hooguit steun uit de Rotterdamse SDAP bij zijn halfslachtige uitlokking tot revolutie. Drees stelde wel allerlei eisen als eerste Haagse man, maar die stonden volgen Brinkman los van actuele dreigingen.

Een jaar later werd de ex-stenograaf wethouder en beroepspoliticus voor de rest van zijn leven. Hij combineerde tal van SDAP-functies, inclusief het lidmaatschap van een commissie die cumulatie van functies moest beteugelen.

Brinkmans verhaal van Drees' Haagse loopbaan, maar ook van zijn carrière in het landelijk partijbestuur, is verbazingwekkend. Het ging allemaal merkwaardig natuurlijk en zonder 'machtspolitiek'.

Drees had kennelijk ook geen haast en was zelfs blij toen een partijvoorzitterschap in 1926 niet doorging. Hij stond steeds midden in de SDAP en zorgde er vaak voor dat de partij in 'het verstandige midden' bleef. Tegenover roerige linkervleugels was hij toen net zo weinig tolerant als later in de jaren zestig.

In 1945 heeft vooral hij voorkomen dat de nieuwe PvdA te zweverig intellectueel zou worden en zo arbeiders naar de CPN zou jagen. De predikant L.H. Ruitenberg hoorde Drees twee uur spreken tot een gespannen luisterende zaal. Hij hoorde geen dichterlijke Troelstra of de meeslepende redenaar Albarda, maar een nuchtere spreker, die de zorgen van zijn gehoor aanvoelde. 'Zijn woord is nooit fel, maar zijn bedoeling steeds klaar. Hij is eer geneigd tot een milde humor, waar bij voorbaat vergeving in ligt.' Hij vond Drees 'echt-Hollandsch, precies zooals de gewone man met het gezonde verstand dat wenscht'.

Brinkmans boek verduidelijkt Drees' bijzondere binding met zijn achterban, de onzichtbare basis van zijn succes.

Jan Joost Lindner

Maarten Brinkman: Willem Drees - De SDAP en de PvdA.

IISG, Amsterdam; 360 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 6861 154 2.

Meer over