Zijn wij trouw verschuldigd aan de rechtsstaat?

Achter de vraag die Frits Bolkestein aan voormalige CPN'ers stelde, gaat volgens Erik Jurgens een andere, wezenlijker kwestie schuil: in hoeverre verlangen wij van burgers dat zij de grondslagen van onze rechtsstaat onderschrijven?...

IN DE discussie tussen Bolkestein en ex-CPN'ers werd de toon aanvankelijk gezet door Bolkesteins vergelijking met de wijze waarop ex-NSB'ers verantwoording hebben moeten afleggen, en zijn onvoorzichtigheid Gijs Schreuders daarbij als voorbeeld te noemen. Dat laatste heeft hij in zijn Forum-bijdrage van 12 augustus ruiterlijk teruggenomen, het eerst duidelijk gerelativeerd.

Daarmee komt ruimte vrij voor het probleem dat Bolkestein mijns inziens eigenlijk aan de orde stelt: hoe moet je oordelen over mensen die een politieke doelstelling hebben welke is gericht op omverwerping van de bestaande constitutionele orde en het in de plaats daarvan stellen van een politiek systeem waarin niet alleen van bovenaf een andere economische orde wordt doorgevoerd, maar ook het uitoefenen van grondrechten zoals wij die kennen sterk wordt beperkt?

En hoe als deze mensen zich uitdrukkelijk beroepen op een buitenlandse mogendheid waar zo'n stelsel heerst en zij van die mogendheid ook steun ontvangen?

Toen het oud-SDAP kamerlid George van den Bergh in 1936 zijn oratie hield als hoogleraar staatsrecht, wijdde hij die aan 'de democratische staat en de niet-democratische partijen'. Hij verzette zich toen tegen een tijdgeest waarin werd gestreefd naar een grondwetsherziening om het met name de NSB, maar ook de communisten, onmogelijk te maken langs wettige wegen aan de macht te komen, zoals Hitler in 1933 in de Weimar-republiek was gelukt.

Van den Bergh wilde de democratie niet redden met ondemocratische middelen. Hij had vertrouwen in de Nederlandse kiezers. En inderdaad haalde de NSB bij de verkiezingen van 1937 slechts 4 procent van de stemmen.

Na 1945, en met name na de communistische putsch in Praag in 1948, heerste in Nederland opnieuw angst voor een machtsovername, ditmaal vanwege de communisten, die in 1946 10 procent van de stemmen hadden weten te halen. Daaraan danken wij de grondwettelijke bepaling waarbij het uitroepen van een 'burgerlijke uitzonderingstoestand' mogelijk werd gemaakt (naast de reeds bestaande 'staat van oorlog', waarbij militairen het voor het zeggen krijgen).

Ook hier werd de soep niet zo heet gegeten als hij werd opgediend (al werden in bijvoorbeeld Amsterdam CPN'ers uit raadscommissies geweerd). De kiezers hebben het vertrouwen van Van den Bergh niet beschaamd. Nadat de sovjet-invasies in Hongarije (1956) en Praag (1968) de kiezersgunst al hadden doen afnemen, is de CPN veertig jaar later helemaal verdwenen.

Inmiddels hebben wij weer een aantal marginale partijen, ditmaal van het rechts-nationalistische soort, die onze constitutionele orde, met name het gelijkheidsrecht in de Grondwet, niet willen aanvaarden.

Wat Bolkestein aan de orde heeft gesteld, is de vraag hoe om te gaan met politieke systemen die de grondslagen van de sociale rechtsstaat aantasten. Hij heeft dat gedaan op een indirecte, wat provocatieve manier.

De vraag die hij stelde is of we degenen die jarenlang zulke politieke systemen hebben verdedigd - en die er dus bewust naar streefden dat hun met de rechtsstaat strijdige opvattingen hetzij door buitenlandse interventie, hetzij door binnenlandse ontwikkelingen, daadwerkelijk aan de macht zouden komen - of die personen daarop zouden mogen worden aangesproken.

Dat lijkt mij een alleszins oirbare vraag. Zouden wij een Afrikaner die zich krachtig heeft uitgesproken voor apartheid, of een Ier die als lid van de IRA medeverantwoordelijkheid draagt voor geweld - en die daar niet openlijk afstand van heeft genomen - hier ooit een openbare functie laten bekleden?

MAAR de vraag zit veel dieper dan de gevolgen die het aanhangen van zulke overtuigingen later - als het gevaar uit de lucht is omdat die stelsels in elkaar zijn gezakt - voor de betrokkenen zou moeten hebben. Het gaat om de vraag of je van ingezetenen van dit land mag eisen dat zij de grondslagen onderschrijven van onze democratische rechtsstaat. Daartoe behoren de aanvaarding van onaantastbare grondrechten van de burger en het niet streven naar politieke verandering anders dan langs parlementair-democratische weg.

Het beantwoorden van die vraag is minder eenvoudig dan het lijkt. Had de uitspraak 'jullie rechtsstaat is de onze niet' in de jaren zeventig gevolg moeten hebben voor de 'autonomen' die het zeiden - en er naar handelden? Plaatst streven naar opheffing van het grondwettelijk discriminatieverbod ('eigen volk eerst') iemand buiten de rechtsorde, zodat hem bijvoorbeeld het recht van betoging en van vergadering feitelijk onmogelijk kan worden gemaakt, zoals thans gebeurt?

Anders dan andere landen kennen wij geen delict dat 'landsverraad' heet, zodat we na 1945 mensen aan de hand van 'buitengewone rechtspleging' moesten berechten voor een delict dat in 1940 niet strafbaar was. . ..

Toch bestaat er iets van een algemeen gevoel dat mensen die in een sociale rechtsstaat leven, en van de voorrechten daarvan gebruik maken, voor die staat toch een soort basistrouw over moeten hebben. Zo'n gevoel verengt zich in tijden van crisis helaas vaak tot een hetze tegen hen die van ontrouw worden verdacht (bijvoorbeeld de heksenjacht van senator McCarthy tegen vermeende communisten in de VS in de jaren vijftig). Maar het gevoel is, dunkt me, op zichzelf niet ongezond. Aan een al te groot cultuur-relativisme op zo'n punt kan een samenleving ten gronde gaan, zoals ex-Joegoslavië ons helaas toont.

In de jaren dat de CPN een machtsfactor was in Nederland bestond er onder de anderen voortdurend het gevoel dat deze groep er op uit was om de Sovjet-Unie het voor het zeggen te laten krijgen in West-Europa, althans dat als de CPN de macht zou krijgen het totalitaire sovjet-systeem ook hier - in aangepaste vorm - zou gaan heersen. Men vond CPN'ers kortom geen betrouwbare staatsburgers.

Het valt niet te ontkennen dat de CPN meermalen iets kreeg uit te leggen (Stalin en zijn Goelag-archipel, de opstanden in de DDR, Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije) en daartoe niet in staat bleek. In die zin was het merendeel van de mensen in die dagen 'anti-communist'.

Het is dat gevoel waaraan Bolkestein, op de hem eigen manier, uiting geeft. Wie behoort tot zijn generatie, zoals ik, kan zich bij zijn gevoelens over die ex-CPN'ers zeker wat voorstellen. Zo heb ik nooit behoord tot degenen die vonden dat de CPN bij 'links' hoorde, want een kenmerk van links is voor mij, onder meer, een sterke gehechtheid aan openheid, democratie en grondrechten. Op dat punt maakten communisten op mij eerder een autoritaire indruk. Anderen vergoeilijkten dit dan weer omdat het Koude-Oorlogsdenken de CPN zou hebben geïsoleerd.

Het debat zou met deze diepere vraagstelling - zijn wij trouw verschuldigd aan de grondslagen van onze samenleving? - moeten worden voortgezet.

Erik Jurgens is deeltijd-hoogleraar staatsrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en is lid van de Eerste Kamer voor de PvdA.

Meer over