interviewMartijn Katan

Zijn Joodse vader bleek lang niet de enige in de familie die in het verzet had gezeten

Martijn Katan bij het monument Hollandsche Schouwburg ter nagedachtenis aan alle gedeporteerde Amsterdamse Joden. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Martijn Katan bij het monument Hollandsche Schouwburg ter nagedachtenis aan alle gedeporteerde Amsterdamse Joden.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Emeritus hoogleraar Martijn Katan zocht uit of zijn vader de enige binnen zijn (Joodse) familie was geweest die tijdens de oorlog aan het verzet had deelgenomen. Al snel telde hij elf verzetsmensen. Volgens zijn ‘speculatieve berekening’ zat 1,6 procent van de Joden in het verzet.

Tachtig jaar geleden, in februari 1941, waren de Joden in Amsterdam het doelwit van de eerste razzia’s in bezet Nederland – de aanleiding voor de Februaristaking van 25 en 26 februari. In de schematische voorstelling van de oorlog werden Joden gereduceerd tot slachtoffers. Tot ‘makke schapen’ zelfs: mensen die zich ogenschijnlijk willoos naar de slachtbank lieten voeren. Van de ongeveer 140 duizend Joden die Nederland in 1940 nog telde, zouden 102 duizend de oorlog niet overleven.

Maar of deze macabere cijfers de vaststelling rechtvaardigen dat Joden zich niet tegen hun lot hebben verzet? Martijn Katan (75), emeritus hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, vroeg het zich af. Zo wist hij van zijn in 1976 overleden vader Richard dat hij actief was geweest in ‘de illegaliteit’. Veel vertelde hij daar niet over. Hooguit ‘nuttige verhalen’ waar zijn kinderen in het dagelijks leven mogelijk hun voordeel mee konden doen. Maar toch: op de gelatenheid die Joden werd toegedicht, was wel iets af te dingen.

Het thema hield Martijn Katan tot voor kort overigens ook niet erg bezig. Zo gingen de dingen in Joods Nederland nu eenmaal: ouders zwegen over het verleden, terwijl dat verleden toch onontkoombaar was. En hun kinderen wilden niet bij het verleden worden betrokken. Ook Katan junior verloochende op die manier zichzelf, totdat hij op latere leeftijd onderkende dat het verleden van zijn familie ook zíjn verleden was.

Op aansporing van de Kring voor Joodse Genealogie, die zijn leden om voorbeelden van Joods verzet had gevraagd, verdiepte hij zich in het verzetsverleden van zijn vader. ‘Ik houd daarvan: dingen uitzoeken. Over voeding en hart- en vaatziekten heb ik het meeste onderhand wel uitgezocht, maar met de oorlogservaringen van mijn vader was ik niet vertrouwd. Daarna deed ik aanvullend onderzoek naar oom Louis en tante Didi: die schenen ook iets in het verzet te hebben gedaan. Geheel onvoorzien dijde het aantal verzetsmensen in mijn familiekring uit tot elf.’

‘Geen makke schapen’

Katan had zijn bevindingen willen boekstaven voor zijn kinderen en hun generatiegenoten in de familie. Want die bleken belang te stellen in de verhalen. Tot zijn niet geringe verrassing. ‘Ik dacht: ze zijn op school al doodgegooid met de oorlog, Duitsers, Anne Frank. Dus ze zullen wel niet op verhalen over mijn vader zitten te wachten. Maar zo was het dus niet: zij wilden die verhalen echt horen.’ Op instigatie van uitgever Mai Spijkers heeft hij de verhalen gebundeld in een boek dat woensdag verscheen onder de titel Geen makke schapen.

Richard en Roosje Katan, de ouders van Martijn Katan. De foto is genomen kort na hun huwelijk in juni 1941.

 Beeld Collectie Martijn B. Katan
Richard en Roosje Katan, de ouders van Martijn Katan. De foto is genomen kort na hun huwelijk in juni 1941.Beeld Collectie Martijn B. Katan

Die titel is tevens de bondigste samenvatting van de conclusie. Want als het aandeel van zijn familie in het verzet ook maar enigszins representatief is voor heel Joods Nederland, zijn naar verhouding beduidend meer Joden bij het verzet betrokken geweest dan niet-Joden. Historicus Ben Braber baande in 1990 al de weg naar dit inzicht, maar het onderwerp verdient volgens Katan nader onderzoek. Hijzelf komt met ‘een speculatieve berekening’ tot de hypothese dat 1,6 procent van de Joden in Nederland aan het verzet heeft deelgenomen: vijf keer het percentage Nederlandse verzetsmensen waarop Loe de Jong lang geleden uitkwam. Daar tekent Katan wel bij aan dat verzet vooral was weggelegd voor relatief welvarende Joden, zoals zijn eigen ouders, die contacten hadden buiten de Joodse kring en de middelen om onder te duiken, of om zichzelf van een valse, ‘veilige’ , identiteit te voorzien. ‘De meeste Joden hadden destijds geen nagels om hun kont te krabben. De sociale klasse waartoe je behoorde, was van grote invloed op je overlevingskansen.’

Kamp Amersfoort

Zijn vader Israel, vernederlandst tot Richard, heeft zijn sociaal kapitaal inderdaad goed kunnen benutten. Hij was handelsreiziger voor Fonteijn & Swart, ‘grossier in galanterieën, kramerijen, garen en band’, later zelfstandig ondernemer in Rotterdam. Hij boerde goed: nog in januari 1941 adverteerde hij voor meer pakhuisruimte. In 1942 doken hij en zijn vrouw Roos onder in Brabant.

Hij verhuisde naar Arnhem, vervalste documenten voor het verzet, werd opgepakt, verbleef in de gevangenis aan de Gansstraat in Utrecht, het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen en in kamp Amersfoort. Maar nooit is zijn Joodse identiteit ontdekt, ‘al had hij daarvoor slechts zijn broek hoeven laten zakken’. Uiteindelijk schopte Richard Katan het zelfs tot blokhoofd van de Luchtbescherming in Beekbergen. ‘Dan liep hij in rijlaarzen door de straten om te controleren of de mensen hun huizen wel goed hadden verduisterd. Als dat niet het geval was, brulde hij: ‘Licht aus!’ Hij meende dat je veiliger was als je brutaal optrad dan als je probeerde níét op te vallen.’ Dat was ook de overlevingsstrategie van zijn broer Louis, die in de nadagen van de bezetting geallieerde militairen in veiligheid bracht.

Mol Valk, aangetrouwde oom. Hij hielp honderden onderduikers aan bonkaarten en valse identiteitspapieren. Beeld Collectie Thea Valk-Le Cointre
Mol Valk, aangetrouwde oom. Hij hielp honderden onderduikers aan bonkaarten en valse identiteitspapieren.Beeld Collectie Thea Valk-Le Cointre

Oom Mol Valk, een aangetrouwd familielid van de moeder van Martijn Katan, was administrateur in een garagebedrijf. Onder die dekmantel heeft hij honderden onderduikers van bonkaarten en valse identiteitspapieren voorzien. Intussen suste hij als meneer Bos, die onberispelijk Duits sprak, boze Duitse officieren die klachten hadden over reparaties aan hun rijdend materieel. ‘Hoe moet je hem noemen? Misschien wel een held. En daar kwam ik pas 74 jaar na de oorlog achter, tijdens een gesprek met zijn hoogbejaarde weduwe. Tot op dat moment had hij eigenlijk nooit indruk op mij gemaakt.’

Verzetsgroep CS-6

En zo logenstraffen meerdere familieleden het beeld van de Joden als makke schapen; Tante Didi die met haar man Marcel Engelse parachutisten door de Duitse linies smokkelde. ‘Iets is zwart of wit, maar nooit grijs’, was haar lijfspreuk. Zij werd gearresteerd, maar tijdens de verhoren, waarbij volgens een lotgenoot haar ‘donkere ogen tot smalle spleetjes’ werden geslagen, gaf ze geen informatie prijs.

Tante Didi Roos smokkelde Engelse parachutisten door de Duitse linies. Op de foto uit 1940 is ze 17 jaar.
 Beeld Collectie Shmuel Harel
Tante Didi Roos smokkelde Engelse parachutisten door de Duitse linies. Op de foto uit 1940 is ze 17 jaar.Beeld Collectie Shmuel Harel

Het bekendste lid van de familie is (de half-Joodse) Hans Katan, wiens vader David een achterneef was van Richard Katan. Hij was onderdeel van de Amsterdamse verzetsgroep CS-6. Hij was betrokken bij meerdere aanslagen op collaborateurs en beraamde een aanslag op Anton Mussert – die werd verijdeld door de onverwachte sluiting van het restaurant waar de NSB-leider een tafel had gereserveerd. Hans Katan werd opgepakt, en op 1 oktober 1943 in de duinen bij Overveen geëxecuteerd. ‘Ik voel mij niet ongelukkig’, schreef hij in de afscheidsbrief aan zijn moeder. ‘Ik heb naar mijn ideaal gedaan wat ik kon.’

‘Toen ik in 1967 tentamen colloïdchemie deed’, zegt Martijn Katan, ‘vroeg de docent of ik familie was van een vroegere student van hem, Hans Katan. ‘Nee’, zei ik, ‘nooit van gehoord’.’ Hans was tenslotte onderdeel van een verleden waarover zijn ouders zwegen, maar dat permanent voelbaar was. ‘Als ze over iemand uit hun kennissenkring praatten, hoorde je al aan de toon: oorlog. Ze deelden de wereld in tussen mensen die deugden en mensen die niet deugden. Mensen bij wie je kon onderduiken en mensen bij wie je niet kon onderduiken.’

In navolging van zijn ouders, die steeds een vluchtkoffer klaar hadden staan, verkeert Martijn Katan in een permanente staat van waakzaamheid. ‘Ben je voorbereid? Ben je koelbloedig? Heb je alles klaar staan? Is de tank van je auto vol en zijn de banden opgepompt? Ik chargeer het nu een beetje, maar het is wel mijn aard.’ Uit de oorlogservaringen van zijn familieleden heeft hij ook moed kunnen putten. ‘Ze hebben laten zien dat je jezelf kunt overstijgen als het noodlot zich aandient. Voor mij is dat een geruststelling: als ze morgen terugkomen, breng ik het er misschien helemaal niet zo slecht af.’

Correctie: In een eerdere versie van dit stuk stond per abuis dat de Februaristaking de aanleiding was voor de razzia's, het is precies andersom.

Meer over