Zieners of procuratiehouders

Als de dag van gisterendoor Jan Blokker..

Je kunt geen biografie van prins Maurits schrijven die niet ook overJohan van Oldenbarnevelt gaat, en geen biografie van Oldenbarnevelt zonderhet leven van Maurits.

Geldt die 'onafscheidelijkheid' ook voor stadhouder Willem III en degebroeders De Witt?

Voor de helft, ben je geneigd te zeggen. De carrière van Willem begonpas toen de raadpensionaris en zijn broer er niet meer waren. Sterker: zijncarrière kón pas beginnen toen de twee regentenzonen in augustus 1672door het Haagse gepeupel letterlijk in stukken waren gescheurd. Hij moesttoen nog 22 worden. Daarna zal hij als held van ons 'rampjaar', alsHollands staatsman die met half Europa coalities sloot tegen de groteLodewijk XIV en als koning van Engeland nauwelijks meer aan de broershebben teruggedacht. In zijn volwassen leven hebben ze nooit een rolgespeeld.

Bij de De Witten is het precies andersom. De bestuurlijke en politiekemachtsposities die zij van 1652 tot hun dood bekleedden - eerste man vande Staten-Generaal, ruwaard van Putten, baljuw van de Beierlanden,dijkgraaf van Mijnsherenland, lid van de Rotterdamse admiraliteit - haddenze zo goed als zeker nooit bereikt als er geen Stadhouderloos Tijdperk wasgeweest, dat wil zeggen als op het Binnenhof ook nog een Oranje hadgezeteld. Willem - een kleuter van twee toen hun ster begon te rijzen - washun potentiële rivaal. Zolang ze leefden hebben ze zijn potentie moetenvrezen.

In De Ware Vrijheid, de dubbelbiografie die Luc Panhuysen van Johan enCornelis schreef, zou je daarom eigenlijk de dreigende schaduw van deopgroeiende Willem over die twee levens hebben moeten zien vallen. Tenzijwe ervan uit zouden moeten gaan dat de broers, Johan voorop, een mogelijkebedreiging van de kant van de Oranjes niet werkelijk hebben gevoeld, ofaltijd hebben onderschat.

Aan de 'psychologie' van hun zelfvertrouwen, of hun twijfels, heeftPanhuysen niet veel woorden willen vuilmaken. Hij schetst op een aangenaamverhalende manier de Dordtse jeugdjaren van de twee als die vanuitgesproken zondagskinderen: welgesteld milieu, vader tenslotteburgemeester, een eerder filosofische dan gereformeerde opvoeding, deklassieke canon van de Latijnse school, vroege bewondering of zelfs eerbiedvoor de republikeinse idealen uit de Romeinse oudheid - zo zou iedereenin de 17de eeuw wel groot hebben willen worden.

Wanneer drong in dat zonnige leven een boze buitenwereld door?

Van Oranjes is pas sprake als na honderd idyllische pagina's stadhouderWillem II even aan de orde komt, die gedurende zijn kortstondige 'bewind'(1647-1650) de strijd aangaat met de Hollandse regentenkaste, en nietalleen de koopmansstad Amsterdam probeert te bezetten, maar ook een aantalprominente bestuurderen, onder wie vader Jacob de Witt, gevangenzet in hetSlot Loevestein.

Vlak voor die arrestatie - Willem is al een poosje op oorlogspad - lezenwe bij Panhuysen: 'Wat ging de prins nu doen? De broers zullen het hunvader meermalen hebben gevraagd. Ze kwamen er weldra achter.'

Waren de broers - inmiddels 27 en 25 jaar oud, afgestudeerd, Grand Tourachter de rug, Cornelis al schepen van Dordrecht, Johan al advocaat in DenHaag - werkelijk zulke doetjes dat ze nog altijd aan hun váder moestenvragen hoe het in de wereld toeging? Maar misschien wilde de schrijver metdat rare zinnetje aangeven dat 'Loevestein' binnen het familiezieke gezinzoiets als een trauma was geweest, dat de relatie met destadhoudersdynastie voorgoed heeft verstoord. Na 1650 was Oranje voor deDe Witten méér dan een rivaal. Oranje was een vijand, de belichaming vanalles wat de ware vrijheid kon belemmeren. De De Witten zouden na de vroegeen plotselinge dood van Willem II de felste bepleiters worden van eenstadhouderloze, lees Oranjeloze, republiek.

Des te merkwaardiger dat we al ver over de helft van het boek zijn alsWillem III eindelijk serieus aan bod komt. Natuurlijk - hij was amper tweetoen Johan in het zadel kwam, in de loop van de jaren vijftig van de 17deeeuw was er ook nog geen gevaar, maar de broers moeten toch geweten hebbendat zijn kleine prinselijke hartje om zo te zeggen doortikte als eentijdbom.

Als vroeg in de jaren zestig zijn oom Karel wordt teruggeroepen naar deEngelse troon en hij vanuit Londen als het ware op koninklijke rugdekkingkan rekenen, zou je zeggen dat het waarschuwingslicht voor de gebroederslangzamerhand naar oranje begint te neigen. Maar Panhuysen geeft nog geenkrimp, zijn regenten lijken zich nog geen grote zorgen te maken, terwijlin de samenleving - en meer speciaal in de provincies buiten Holland - tochal genoeg tekenen zijn van onvrede met het strikt-staatse enanti-orangistische beleid dat Johan als raadpensionaris consequent blijftvoeren.

Hoe naïef waren de broers? Of hoe naïef heeft Panhuysen zegeportretteerd?

De kracht van zijn boek zit in de vorm. Hij vertelt soepel en zonderdikdoenerij, hij heeft een goed historisch oog voor de sociaal-culturele'buitenkanten' van de maatschappij waarin zijn helden leefden: voor hun kleding, voor de manier waarop ze een vrouw zochten, voor hun vrijetijdsbesteding, voor hun kerkgang (veelal bij predikanten die hettegendeel preekten van republikeinse vrijheden!), voor hun culinairevoorkeuren. Dat mevrouw De Witt de vrijgezellenmenage van haar tot het hogeambt geroepen echtgenoot laat uitrusten 'met spitten, tangen, messen, grotebraadpannen en kookplaten', om de gasten te kunnen trakteren opbijvoorbeeld een 'olipodrigo, een populair gerecht met hoenders, duiven,schaapsvoeten, worsten, selderij, bloemkool, andijvie en artisjokken',staat opgeschreven op een wijze die naar meer smaakt.

De zwakte zit 'm in de inhoud. In de tweede helft van de 17de eeuw zijndan wel de economische en culturele hoogtepunten van Nederlands GoudenTijden bereikt, maar in een na de Westfaalse Vrede opnieuw uitgebalanceerdEuropa zijn voor de kleine republiek de vernuftigste strategieën entactieken nodig om te midden van de grote machten het (handels)hoofd bovenwater te houden.

Hoe deed De Witt dat precies? Het is leuk om te lezen hoe slim hij doormiddel van een flinterdun notitieboekje het 'geheugen' (dus ook demanipuleertrucs) van de Statenvergadering bijhield - maar wat zéi hij opzulke vergaderingen, hoe stuurde hij de heren aan, langs welke weg dreefhij z'n zin door, hoe verweerde hij zich tegen tegenstanders, wat was,korter gezegd, zijn grand design?

Dat geldt voor de binnenlandse (Staten)politiek, voor de diplomatiekebetrekkingen met Londen, Parijs, Madrid, Wenen en Stockholm, en bovenal,omdat het voor hem en zijn broer een kwestie van leven en dood was, voorde verhouding tot het Kind van Staat dat op een dag ineens 21 was en datin de verborgenheid van zijn halve ballingschap een klinkklare eigen agendableek te hebben samengesteld. Willem III had om de dooie dood wél eengrand design.

Antwoord op de vraag welke geopolitieke doelen Johan de Witt voor ogenhad (Cornelis doet er op dat punt minder toe; diens roem is altijd eenafgeleide geweest van die van z'n jongere broer), en hoe hij het leerstukvan de Ware Vrijheid in de weerbarstige praktijk had willen brengen - datantwoord blijft Panhuysen ons schuldig. Of zouden de broers, een beetjezoals Oldenbarnevelt, toch meer procuratiehouders dan zieners zijn geweest?

Luc Panhuysen: De Ware Vrijheid - De levens van Johan en Cornelis deWittAtlas527 pagina's 37,50ISBN 90 450 1422 XAtlas527 pagina's37,50ISBN 90 450 1422 X

Meer over