Ziehier de geschiedenis van een anti-communist

Begin deze zomer ontstond enige opwinding over een vergelijking die VVD-leider Frits Bolkestein zou hebben gemaakt tussen CPN'ers en NSB'ers wat betreft het geven van rekenschap van hun verleden....

FRITS BOLKESTEIN

Beste Gijs,

DANK voor je brief die hier op 28 juni is geplaatst. Dit is mijn antwoord. Iedereen heeft zijn geschiedenis. Jij als communist, ik als anti-communist. Ik heb mijn houding tegenover het communisme vroeg bepaald. Twee boeken en een gebeurtenis waren daarbij van belang.

Het eerste boek was Nacht in de Middag van Arthur Koestler, dat ik las in de vroege jaren vijftig. Het gaf aan tot wat voor geestelijke corruptie het communisme heeft geleid. Van Koestlers boeken schreef Constant Vecht later, dat wij alleen al door het lezen ervan 'hadden kunnen weten dat het communisme een gevaarlijke vergissing was.'

Het tweede boek was Ik verkoos de vrijheid van Victor Kravtsjenko. De schrijver was in de maalstroom van de zuiveringen terecht geraakt, gemarteld en naar het Westen ontsnapt. In Parijs werd hij in een proces met L'Humanité verwikkeld, het dagblad van de Franse communistische partij, dat hem van leugens betichtte. Later, in New York, heeft hij zich van kant gemaakt omdat hij te weinig gehoor vond.

De gebeurtenis was het congres in 1956 in Praag van de International Union of Students (IUS), een communistische mantelorganisatie. Ik ben daar als waarnemer namens de ASVA naar toe gegaan. Ik was gewaarschuwd dat niet te doen omdat ik het toch nooit tegen de communisten zou kunnen opnemen. Ik ben toch gegaan, omdat het belangrijk is de argumenten van je tegenstanders te kennen.

Wat vooral opviel op het congres, dat plaatsvond in een enorme hal, was het automatische applaus dat op elke toespraak volgde. Nadat ik op de tweede dag had moeten aanhoren hoeveel scholen er in Buiten-Mongolië waren gebouwd, besloot ik mijn naam op de sprekerslijst te zetten. Ik was de eerste niet-communist die het woord kreeg. Ik was toen 23 jaar.

Mijn toespraak had weinig om hakken, op één punt na. Nederland kreeg daar veel kritiek omdat het Nieuw-Guinea niet wilde opgeven. Ik erkende dat, maar zei dat de daar aanwezigen niet moesten vergeten dat Polen door de Sovjet-Unie werd gekoloniseerd. Toen ik van dat hoge spreekgestoelte afdaalde en over dat lange middenpad naar achteren liep, heerste er een doodse stilte. Het was mijn eerste ervaring met een totalitair stelsel.

De derde dag kreeg ik bezoek van een Poolse delegatie die mijn verontschuldigingen eiste. Ik had daar geen zin in want ik vond dat het waar was wat ik had gezegd. Kom dan bij ons kijken, was de tegenzet, en dat was een alleszins aannemelijk voorstel.

En zo gebeurde het dat ik in 1957 de eerste niet-communistische studenten-uitwisseling organiseerde: vijf studenten van de Universiteit van Amsterdam tegen hetzelfde aantal uit Warschau.

Ik herinner mij veel gebeurtenissen van die tocht door Polen maar beperk mij tot twee. Ik liep met onze gids door een straat van Kraków toen het gesprek plotseling stokte. Ik vroeg hem waarom hij stil viel. Hij wees op een Russische soldaat die in de buurt liep. Het was een glimp van de terreur.

In Warschau ontmoette ik de leider van de Poolse studentenorganisatie, Stefan Olszowski. Volgens hem moesten wij zoeken naar een weg tussen kapitalisme en communisme. Ik antwoordde dat wij die in West-Europa al hadden gevonden.

In 1968 heb ik op de televisie gezien - net als jij, moet ik aannemen - hoe Russische tanks de Praagse lente vermaalden. Jiri Pelikán, die ik in 1956 als secretaris-generaal van de IUS had ontmoet, koos de kant van Dubcek en is niet lang daarna naar Rome uitgeweken.

In de eerste helft van de jaren zeventig werkte ik in Parijs. De slagzin daar was toen: 'Comment peut-on être anti-communiste?' Ik daarentegen vroeg mij af, hoe iemand na Boedapest 1956, na Praag 1968, nog communist kon zijn.

In 1978 werd ik lid van de Tweede Kamer en niet lang daarna ging ik met een parlementaire delegatie naar Roemenië. Ik had mij laten voorlichten door Amnesty International en heb in Boekarest twee dissidenten geprobeerd te spreken. De eerste wilde mij niet ontvangen - ik vermoed uit angst - en bij het huis van de tweede werd ik door een agent tegengehouden.

Begin juli 1981 zou de Poolse Verenigde Arbeiders (=communistische) Partij in Warschau congresseren. De strijd met Solidarnosc naderde zijn hoogtepunt. Ik dacht: dat congres loopt uit de hand, de Russen kunnen dat niet toestaan, zij zullen interveniëren, ik moet daarbij zijn.

In Warschau heb ik onder andere met Boejak gesproken, de leider van de afdeling Warschau van Solidarnosc. Hij zei mij dat je met communisten geen enkele afspraak kon maken. Stefan Olszowski was inmiddels lid van het Politbureau.

Zoals bekend, intervenieerden de Russen niet in juli maar in december van 1981 en niet direct, maar door middel van het Poolse leger.

Van l982 tot 1986 was ik staatssecretaris van Economische Zaken. Als zodanig heb ik alle Oosteuropese landen bezocht (behalve Albanië). In Oost-Berlijn bracht ik een bezoek aan de eerste vice-premier Werner Krolikowski. Krolikowski viel mij aan om de zaak van de kruisraketten. Ik antwoordde dat de plaatsing van de SS-20 raketten door de Sovjet-Unie een provocatie van West-Europa was, die wij onmogelijk onbeantwoord konden laten. Het gesprek duurde kort. Wij hadden elkaar weinig te zeggen.

Ziehier enkele episoden uit mijn geschiedenis als anti-communist. Ik vond het communisme afgrijselijk. Het had het grootste Europese land in een poel van ellende gestort. Overal ter wereld waar het aan de macht was gekomen, had het - economisch en ecologisch - een onversneden ramp veroorzaakt. Het had de menselijke verhoudingen totaal gecorrumpeerd. Waar dat kon, heb ik de confrontatie gezocht.

Het rode fascisme of het bruine fascisme: voor mij was het een pot nat. Beide waren pogingen tot infantilisering van een geheel volk en in het geval van de Sovjet-Unie is dat nog aardig gelukt ook. Beide hadden de terreur als essentieel bestanddeel (lees Hannah Ahrendt).

Ziehier dus mijn beknopte tegenhanger van je boek De man die faalde (uit 1992). Dank voor het opsturen ervan. Het is een authentiek verhaal, dat ik met aandacht heb gelezen. Heb je er rekenschap mee gegeven? Zeker. Je schrijft: 'Dit was niet de waan van de dag, dit was de waan van de eeuw' (blz. 156). Je schrijft: 'Het is moeilijk het gevoel van bezoedeling kwijt te raken' (blz. 210).

Daar is geen woord Spaans bij en ik had jou niet moeten noemen als iemand die geen rekenschap van zijn communistische verleden heeft gegeven. Ik neem die woorden terug.

Overigens heb ik de CPN nooit hetzelfde genoemd als de NSB, noch indivduele CPN'ers op een lijn gezet met NSB'ers. Dat zou absurd zijn geweest. Kritiek is welkom maar liefst op wat ik heb gezegd. Ik heb de rekenschap, gevraagd van CPN-voorlieden, willen vergelijken met die ooit van NSB-meelopers werd geëist.

Zeker hebben veel communisten zich buitengewoon moedig gedragen in de oorlog. Ik zou willen dat ik zo moedig was geweest, had ik de leeftijd gehad. Voor die moed bestond na de oorlog terecht veel waardering. Ik zou daar niets aan af willen doen. Toch passen hier twee kanttekeningen.

Ten eerste lag daar het Molotov-Ribbentrop Pakt van augustus 1939, dat de aanval op Polen inluidde. Vergeet ook niet dat Paul de Groot na de Duitse inval een 'correcte houding' jegens de bezetter aanraadde. Gelukkig hebben veel communisten die raad in de wind geslagen.

Ten tweede waren communisten niet de enigen in het verzet. Communistische partijen hebben na de oorlog overal geprobeerd zich het anti-fascisme toe te eigenen. Dan konden zij hun tegenstanders namelijk het etiket 'fascist' opplakken. Het is mij in Parijs zelf overkomen. Werden sociaal-democraten niet 'sociaal-fascisten' genoemd?

Nogmaals, ik bewonder de mensen die in het verzet hebben gezeten. Maar tussen het einde van de oorlog en het vallen van de muur zijn 44 jaren verlopen. Jaren van verschrikkelijke onderdrukking in Oost-Europa; jaren van leugens in de CPN. Het oorlogsverzet was het enige politieke kapitaal van de CPN. Kon het de 'bezoedeling', zoals je die zelf noemt, van al die jaren daarna goed maken? Ik vind van niet, zeker waar het mensen betreft die zelf nooit iets van de oorlog hebben meegemaakt.

In je boek citeer je Ger Harmsen: 'Ik denk dat het een afschuwelijke praktijk is geweest, dat duizenden mensen gewelddadig geestelijk, psychisch geleden hebben onder de wijze waarop zij door de CPN mishandeld zijn. Ik denk ook niet dat je dat luchtig kunt afdoen' (blz. 181).

Wij zijn geen van beiden luchthartig in deze zaak, maar anderen zijn dat wel. Met J.L. Heldring verwonder ik mij 'over de lankmoedigheid van de vele vriendjes in pers en politiek (-) die anders zo gauw met pek en zwavelzuur klaar staan.' Het is die ouwe-jongens-krentebrood-atmosfeer die tegenstaat.

Verdraagzaamheid kenmerkt ons land. Iedereen mag van alles en nog wat zeggen. Fractievoorzitters van de VVD mogen zelfs met de politieke correctheid breken. Maar die verdraagzaamheid heeft een keerzijde: de onverschilligheid. 'Waarom trekken aan een dood paard? Het zijn toch aardige mensen! Zij willen toch ook het goede?'

Natuurlijk waren sommigen aardig. Met Marcus Bakker kon je ook altijd lachen. Maar daar gaat het niet om. Natuurlijk waren de bedoelingen van sommigen goed. Het gaat in de politiek evenwel niet om de bedoelingen, maar om de uitkomsten. En die waren afgrijselijk.

Het is de onverschilligheid voor de ellende, anderen aangedaan, die stoort. En dit betreft het recente verleden. Op 9 oktober 1989 - twee maanden voor de val van de muur - was het CPN-bestuurslid en lid van de Eerste kamer Fenna Bolding als officiële gast in Oost-Berlijn bij de herdenking van veertig jaar DDR. Op 12 oktober zei zij: 'Ik had het gevoel dat de mensen toch trots waren op wat er in veertig jaar is bereikt. In zeker opzicht is dat ook terecht.' Maar toen was jij, gelukkig, geen lid van de CPN meer.

Hier is iets blijven liggen dat verevening behoeft. Dat debat is eigenlijk nooit gevoerd. Niet met de voorlieden van de CPN en al helemaal niet met die hele en halve intellectuelen, Lenins 'nuttige idioten', die vonden dat je toch vooral genuanceerd moest aankijken tegen wat er in Oost-Europa gebeurde. Door zich niet met de CPN te encanailleren, meenden de laatsten hun handen schoon te kunnen houden.

Men zegt dat ik ex-CPN'ers heb gekwetst. Wat betreft hen, die in het verzet hebben gezeten, spijt mij dat oprecht. Maar hoe zit het met de gevoelens van de mensen in Oost-Europa? Met die van Margarete Buber-Neumann, die als Duitse communiste na 1933 naar de Sovjet-Unie vluchtte, daar in het concentratiekamp Karaganda werd geïnterneerd, na het Molotov-Ribbentrop Pakt door de NKVD bij Brest-Litovsk aan de Gestopo werd overhandigd en de rest van de oorlog in Ravensbrück heeft doorgebracht, waar zij door de communisten werd geïsoleerd omdat zij vertelde hoe het werkelijk toeging in het land van het Reëel Bestaande Socialisme? Na de oorlog was zij getuige in de rechtszaak tussen L'Humanité en Kravtsjenko, waarover ik het hierboven heb gehad.

Hoe zit het met de gevoelens van Heda Margolius Kovaly, die als Tsjechische jodin Auschwitz overleefde, in Praag trouwde met een man die het tot vice-minister bracht maar in december 1952 met Rudolf Slansky werd opgehangen? Vóór zij in 1968 naar het Westen ontsnapte, maakte zij de volgende balans van haar leven op: 'Verlies van vader; verlies van echtgenoot; verlies van eer; verlies van gezondheid; verlies van baan en van de mogelijkheid om studie te voltooien; verlies van geloof in de Partij en in rechtvaardigheid.'

Hoe zit het met de gevoelens van de Leningradse recensente die naar aanleiding van Koestlers Nacht in de Middag schreef dat het leek alsof er een samenzwering was tussen de communistische partij van de Sovjet-Unie en een groot aantal westerse intellectuelen om het Sovjet-volk te onderdrukken? Wie denk je dat in de eerste plaats tot die westerse intellectuelen behoorden?

Hoe zit het met de gevoelens van Jiri Pelikan, die jarenlang zijn dochter niet kon ontmoeten omdat hij er niet in mocht en zij er niet uit?

Op bladzijde 122 van je boek stel je de hamvraag: 'Waarom is het besef van de historische leugen zo langzaam doorgedrongen?' Hoe is het nou toch mogelijk dat jij in 1977 als gast van de Groot-Inquisiteur Soeslov op het Rode Plein de 1-mei-parade stond af te nemen? In 1977! Het jaar dat Charta werd opgericht!

Hoe is het nou toch mogelijk dat zoveel intellectuelen zich door een onmenselijk stelsel in de luren hebben laten leggen? Dat de zogenaamde 'kritische generatie' van 1968 zo ongelooflijk onkritisch was? Zij waren zo bevangen door ideologie dat zij geen oog meer voor de feiten hadden.

Het is een beroemde vraag en ik ken drie antwoorden. Het eerste is van Francois Furet in diens Le passé d'une illusion. In de woorden van M. Fennema: 'De Bolsjewieken slaagden erin, hun revolutie te presenteren als de voortzetting van de Franse revolutie, waardoor zij zich met de mantel der Verlichting konden bekleden.'

Het tweede is van Jean-François Revel. Omdat intellectuelen het meeste weten, vinden zij dat zij ook de dienst moeten uitmaken, en zij denken dat dit na de revolutie ook het geval zal zijn. Dat zij zich hierin deerlijk vergissen - Majakovski! - is vers twee.

Het derde is van Václav Havel: 'Intellectuelen geven vaak toe aan de verleiding, de wereld als een geheel te proberen te vatten, om haar in haar geheel te verklaren en universele oplossingen voor haar problemen voor te stellen. Een geestelijk ongeduld en een verscheidenheid van intellectuele shortcuts zijn er gewoonlijk de oorzaak van, dat intellectuelen er toe neigen holistische ideologiëen te bedenken en toegeven aan de verleidelijke kracht van holistisch social engineering.'

Zonder twijfel geven deze antwoorden een deel van de verklaring. Maar zij bevredigen geen van alle. De eerste is te franco-centrisch; de tweede te platvloers; en de derde te rationeel. Het aspect dat ik mis, is de eenzaamheid die de werkelijke intellectueel kenmerkt maar waarvoor de meeste would be intellectuelen terugschrikken. Dat doet hen zoeken naar nieuwe ankers.

Het raadsel blijft. Ook jouw boek lost dat niet op.

Hierboven had ik het over Stefan Olszowski. In het midden van de jaren tachtig kreeg hij ruzie met Jaruzelski. Hij verhuisde naar Long Island. Ik vond dat bizar. In de zomer van 1991 heb ik met hem in New York geluncht. In 1992 heb ik hem vijf uur lang over zijn gehele politieke leven geïnterviewd.

Ik had het ook over Jiri Pelikán, die na l968 naar Rome emigreerde. Eind vorig jaar hebben hij en ik een hele zondag voor een opname-apparaat gezeten.

Twee mannen, twee keuzen. Nu nog de derde mogelijkheid: de dissident die thuis is gebleven. Dan heb ik mijn boek rond. Want ik blijf in gesprek met de vorigen. Opkomst en ondergang van totalitaire ideologiëen behoren immers tot de centrale gebeurtenissen van deze eeuw.

De groeten,

Frits Bolkestein.

Meer over