'Zie je die schitterende hagel?'

De Novelleprijs van Amsterdam stuurde hij terug, de Huygens- en P.C. Hooftprijs weigerde hij, maar iets géven doet hij met liefde....

'Nooit. Nou ja, twee keer dan. In al die jaren heb ik twee keer een schema gemaakt voor een boek, om de complexe structuur vast te leggen. De ene keer was voor Terug naar Oegstgeest en de andere voor De Walgvogel. (Lachend) Ik was het helemaal vergeten, maar kort geleden rolde ik dat laatste schema open - bleek ik dat te hebben gemaakt op de achterkant van een portretfoto van Harry Mulisch die zo'n gigantische jarenzeventigbril draagt.

'Maar verder geen schema. Ik schrijf eigenlijk een beetje raadselachtig. Het komt vanzelf als ik achter de typemachine zit - aan de computer ben ik nooit begonnen. Wat er dan het eerst komt, zijn beelden die ooit indruk hebben gemaakt. Je dacht ze te zijn vergeten, maar ze hebben je nooit verlaten. Dat merk je dan. Mijn werk wordt door beelden voortgedreven.

'Vroeger had ik altijd een lijstje met titels vóór in mijn boeken: ''In voorbereiding'', stond erboven. Sommige zijn nooit verschenen, zoals Waar eens LENTE stond. Mooie titel is dat, zeg. Die gaat ook terug op zo'n oud beeld: een wilde tuin, en op een kaal stuk stond daar in bollen LENTE te lezen. Toen ik daar later terugkwam, was dat stuk helemaal dichtgegroeid. Waar eens LENTE stond. Russisch bijna hè, die titel. Misschien schrijf ik dat toch nog eens op.

'Zomerhitte is vorig voorjaar geschreven, ik had niet iets liggen. In januari 2004 belde CPNB-directeur Kraima me met het verzoek. Toen bekend werd dat ik het Boekenweekgeschenk zou maken, reageerde de pers verrast, omdat mijn laatste roman alweer uit 1984 is. Toch heb ik daarna nog vier essaybundels geschreven, en die hebben een sterk verhalende inslag. Maar essays tellen niet meer mee, net als korte verhalen. Iedereen kijkt alleen nog naar romans. Het aanbod verschraalt. Zou Gerard Reve zijn novelle Werther Nieland uit 1949 nu bij een uitgever inleveren, dan kreeg hij het terug met het verzoek er een roman van te maken.

'Veel dingen uit Zomerhitte hebben met het werkelijke leven te maken. Het verhaal speelt op een eiland. De verteller is een natuurfotograaf - als beeldhouwer, en als iemand die in de natuur woont, weet ik hoe hij kijkt. Hij krijgt een relatie met de jongere, stevige Kathleen die achter de bar staat in een disco. Je ziet dat hij ook een moralist is, want zij verricht ook diensten voor een drugscrimineel, en hij wil haar redden. Op een zeker moment ziet de ik een bodyguard met een loodzware rugzak van een zeiljacht komen.

'Dat soort dingen hebben wij ook gezien. Die drugsboten komen de havens niet binnen, dus leveren ze hun spullen op deze manier. (veert op, wijst naar buiten) Godverdomme, zie je die schitterende hagel?! Kijk, aan deze kant blijft het liggen, maar daar is het meteen weg. Weet je hoe dat komt? Er is mij een belofte gedaan door de profeet, dat ik sneeuw zal zien terwijl de bloesem al bloeit. En dat gebeurt nu, want daar verderop bloeit een oude prunus.

'Toen ik een jaar of tien was, schreef ik een opstel over een jongen die over een heivlakte loopt waar een griezelige watertoren uit oprees. Die jongen beklimt die toren, en bovenin zitten uilen die hem aanvallen en hem zijn ogen uittrekken. Blind. In 1948 hoor ik over een Engelse fotograaf die voor een boek van Hans Warren over nachtvogels foto's maakte en daarbij zijn oog verloor door een velduil. Om bang van te worden.

'Die angst voor blindheid blijft bij je, en die komt terug - mét dat beeld van die velduil - als je een verhaal schrijft dat zoiets oproept. Zeventig jaar na mijn opstel schrijf ik in Zomerhitte de scène met de vogelwachter Kees die uit vriendelijkheid denkt de fotograaf iets moois te kunnen laten zien: een broedende velduil in een duindal. Ze sluipen ernaartoe, Kees voorop, en hij is nog niet bij dat nest of het woedende beest rukt die vogelwachter een oog uit.

'Het typische is: toen De Bezige Bij me vroeg te kiezen uit de tien, vijftien jaar dat ik mijn dagboek goed heb bijgehouden, heb ik speciaal 1974 uitgezocht. Vorige week is Dagboek 1974 verschenen. Teruglezend viel me namelijk op hoezeer dat aansluit bij het Boekenweekgeschenk. Het gedeelte waarin Karina en ik in september op Texel zijn, dat is net of daar de kiem ligt van Zomerhitte. (bladert in zijn dagboek, citeert) Karina over een bruin kikkertje dat op het terras zit: ''Wat een volmaakt schepseltje.'' (lacht) Heeft ze nooit tegen mij gezegd.

'De dagboekpassages over de natuur, die lijken zó over te lopen in het begin van Zomerhitte. Die eerste, losstaande alinea is eigenlijk een synopsis van het hele verhaal: ''Aan het strand vind je soms een door de vloed achtergelaten aantal voorwerpen dat zo perfect van compositie en kleur is dat je onwillekeurig opkijkt of je in de verte niet de schim van Kandinsky ziet wegschuifelen.'' Dan noem ik die voorwerpen, en dan: ''Het vreemde is dat als je er een eindje vandaan loopt je er niets meer van ziet. De compositie en de kleuren zijn verdwenen. Alles heeft de kleur van het zand.'' En zo is het ook. Het gaat erom dat je oog hebt voor beelden. Je moet ze je eigen maken. Als beeldhouwer en schilder ben ik gewend scherp te kijken. Maar die gevoeligheid heeft óók te maken met de invloed die de bijbel op mij heeft gehad, van kindsbeen af, met die gebeeldhouwde taal en onvergelijkelijke beeldspraken.

'In het dagboek staat ook mijn reactie op recensies over De Walgvogel: ''Onwaarschijnlijk gunstig, maar slechts een enkele is goed.'' Zelden heb ik een stuk gelezen waarin de criticus iets ontdekt waarvan ik denk: godverdomme, zit dat zó! Hella Haasse, die heeft in 1985 een goed essay over mijn werk geschreven, ''Een netwerk van beelden''. Zij heeft het over mijn ''begeerte naar zuiverheid'', en dat mijn verhalen schokken door de discrepantie tussen de onschuldige, onbevangen waarnemer enerzijds en de gruwelen en ongerijmdheden die hij waarneemt anderzijds.

'Daar leer je iets van. Hella Haasse heeft mij ingeleid toen ik mijn allereerste lezing hield, in 1962 geloof ik, bij Broese in Utrecht. Een erg mooie vrouw. En een jaar geleden stonden we samen op het podium op de Dag van de Literatuur in Den Haag, ze greep me ineens vast en vroeg: ''Jan, waarom zijn we toen niet met elkaar naar bed gegaan?'' Ik zei: ''Nou, Karina was toen zeventien jaar en die zat op mij te wachten.'' Ik vond dat zó aardig van Hella, zo'n dame die zoiets spontaan zei, terwijl iedereen eromheen stond.

'Lange tijd heeft het aan serieuze stukken over mijn werk ontbroken. Vaak ging het in de trant van: Wolkers, die vieze schrijver. Dat vond Hermine de Graaf ook, die in de jury zat van de P.C. Hooftprijs, die ik heb geweigerd. Hanny Michaelis zat er ook in, maar die waardeert mijn werk. Hanny ken ik nog uit de tijd dat zij getrouwd was met Gerard van het Reve. Met hem was ik toen bevriend, eind jaren vijftig. Zij woonden op de Oudezijds Voorburgwal. Op de verjaardagen en zo kwam ik daar met mijn tweede vrouw Annemarie, de vrouw uit Turks fruit, zal ik maar zeggen. In februari 1959 was mijn eerste verhaal, ''Het tillenbeest'', in Tirade verschenen. Toen schreef Van het Reve me een brief, dat hij het prachtig vond en met me wilde praten - om te kijken of ik homoseksueel was, denk ik.

'Met Reve samen heb ik voor het Amsterdams Volkstoneel van meneer Groenier, de vader van Germaine, nog kleine scènes geschreven. Dat weet bijna niemand. Ja hoor, die dingen moet ik nog ergens hebben liggen. Eigenwíjs was die Van het Reve joh, net een communistische commissaris. Ik heb me rot gelachen met hem.

'Dit najaar wordt Turks fruit als musical opgevoerd. Welk boek ik zelf het beste vind? Dat is net of je een ouder vraagt welk kind het liefst is. Als je dat vraagt aan een moeder in de Jordaan met elf van die snottebellen, dan krijg je meteen een hengst voor je kop. Je moet ze natuurlijk allemáál lief vinden.

'Het musical-script voor Turks fruit van Dick van den Heuvel vind ik goed gedaan. Verder bemoei ik me er niet mee. Het wordt toch iets anders. Dat was in 1973 al zo met de film van Paul Verhoeven, die ik voor 75 procent een meesterwerk vind. Het verhaal begint als een onstuimige liefdesgeschiedenis, dan raakt hij die vrouw kwijt, ze wordt ziek, hij zoekt haar steeds op, totdat ze doodgaat. In het boek loopt op het eind de dokter met Olga's pruik achter die jongen aan en vraagt wat hij daarmee moet doen. En dan antwoordt de verteller: ''Ze moet hem ophouden, dat heeft ze zelf zo gewild.'' Zo eindigt het. Maar in de film komt die jongen zélf met die pruik naar buiten en gooit die in een soort draaiende vuilnisoven. Die achteloosheid haalt het hele verhaal ondersteboven.

''t Is nog steeds een heftig boek, hè? En er hoeft niets aan veranderd te worden. Ook al vraagt Robert Anker dat. Vorig jaar riep die schrijver mij op de scènes te herzien waarin Olga soms drie keer achter elkaar klaarkomt terwijl ze geneukt wordt. Een vaginaal orgasme is een zeldzaamheid, zou uit onderzoek zijn gebleken. Volgens schoolmeester Anker bracht ik zijn leerlingen maar op verkeerde gedachten.

'Nee hoor. Een vrouw kan wel hónderd keer achter elkaar klaarkomen, en vaginaal of clitoraal, dat maakt niet uit, zolang een man met haar maar goed de liefde bedrijft. En onderzoeken, daar trek ik me niks van aan. Onderzoeken heb ik zelf genoeg gedaan.

'Ze doen vaak net of ik alleen maar over seksualiteit heb geschreven. Terwijl de dood veel pregnanter is. De dood is de reden waarom we leven. Als er geen dood was, dan kon je driehonderd jaar worden, terwijl je kinderen al tweehonderd jaar in de AOW zitten. Daar moet je toch niet aan denken. De dood is zo'n mooie oplossing, eigenlijk.

'Door het opschrijven van al die beelden heb ik me niet ergens van bevrijd. Eerder brengt het ze dichterbij. De jaren zestig betekenden voor mij een explosie van boeken. Maar je moet niet vergeten dat wat ik toen opschreef, al veel langer in mij leefde. Ik schrijf nooit fris van de lever. Het moet bezinken en zijn bedding krijgen.

'De verminkte soldaten die ik als jongetje van veertien heb gezien, die van het vliegveld Valkenburg kwamen. Ik had een baantje als dierenverzorger in het laboratorium van het Academisch Ziekenhuis in Oegstgeest, waar een dokter me een witte rat had beloofd. En toen werden daar net die dode parachutisten en soldaten uitgeladen, Nederlanders zowel als Duitsers. Ik heb daar díngen gezien. Die uitpuilende ogen, zoiets blijft je altijd bij.

'Of dat mijn vader zei dat dieren niet in de hemel komen. Acht jaar was ik, en vanaf dat moment begon mijn gereformeerde geloof te wankelen. De hemel, zonder dieren, en ten eeuwigen dage mét al die uitgedroogde mensen opgescheept zitten? Vreselijk leek me dat.

'Mijn vader vond mij van al zijn elf kinderen het meest dwarse. Hij was middenstander, had een kruidenierswinkel. De braafste van zijn familie. Ik heb een familiefoto, daar zie je hem kijken of er misschien echt een vogeltje uit het toestel zal komen. Met hem heb ik veel conflicten gehad, vooral toen ik op mijn vijftiende niet meer mee naar de kerk ging, en ik begon met tekenen en schilderen. Ik denk dat ik van nature atheïst was. Hij sloeg me de trap weleens op, en dan zei ik: ''Sla maar christen, ik keer u mijn linkerwang toe.'' Ach God, die man.

'Soms denk ik met tranen van bewondering aan hem terug. Het was 1937, winter, groezelige sneeuw. Ineens komt er een Chinese man met zo'n trommel voor z'n borst langs ons huis in de Deutzstraat. Mijn vader staat voor het raam, gebaart dat hij binnen moet komen, en zet hem voor de kachel. We hadden net een pan erwtensoep op tafel staan. En terwijl het water uit zijn sokken stroomt, eet die Chinees die kop soep.

'Daarna maakt hij zijn trommel open en begint aan alle kinderen een pindareep uit te delen. Die kostten vijf cent per stuk. ''Geef die man dat terug'', riep mijn vader, ''anders heeft die erwtensoep hem nog vijftig cent gekost ook!'' Wij gaven alles terug. Waarop die Chinees, boeddhistisch glimlachend, die repen opnieuw begon uit te delen. En weer kreeg hij ze terug.

'Drie, vier keer ging dat heen en weer. Toen had Boeddha gewonnen van Christus. Mijn vader vond het goed. Dat vond ik heel bijzonder van hem. En dat vind ik nog.

'Over de hemel ben ik op mijn leeftijd niet anders gaan denken. Wat zeg je? Wat er gebeurt als straks de hemel toch blijkt te bestaan? (lachend) Dan weet ik zeker dat er ineens een oude baas naar voren zal stappen die zegt: ''Het spijt me voor de anderen, maar is hier ook ene Jan Wolkers? Want die is uitverkoren.''

Meer over