Zelfs flauwste grap wordt leuk met zulke trieste types

The Other Guys

Tweederangs personages zijn ze, agenten Gamble en Hoitz. De een bijt zich volkomen vast in een bureauonderzoek naar illegale steigers, terwijl de ander tot kantoorwerk is veroordeeld omdat hij per abuis een beroemde honkballer neerschoot. Grotere mislukkelingen kent het New Yorkse politiecorps niet, en The Other Guys besteedt de eerste twintig minuten dan ook liever aan Highsmith en Danson, de schietgrage supercops die in de openingsscène hun auto dwars door een dubbeldekker vol toeristen jagen - met een zakje wiet als excuus.


De gemiddelde hersenloze politie-actiefilm zou zich geen betere helden kunnen wensen dan deze opgefokte macho's.


Jammer dus dat de twee bij een achtervolging van een hoge flat springen, ook al is er beneden echt niets dat hun val gaat breken. Terwijl de mannen in slow motion richting stoep storten, kijkt de de camera geduldig toe vanaf het dak, alsof elk moment een superheld als reddende engel het beeld moet komen binnenvliegen. Maar helaas.


Highsmith en Danson liggen nog niet goed en wel met hun neus in het beton, of de film gaat al over op hun begrafenis, plechtige doedelzakmuziek en Amerikaanse vlaggen incluis. 'Waarom zijn ze toch gesprongen?', vragen Gamble en Hoitz zich herhaaldelijk af, zonder dat ze in het krankjorume The Other Guys ooit antwoord zullen krijgen.


Vanaf die begrafenis moet The Other Guys het dan toch met hén doen, zonder dat hun aarzelend groeiende dadendrang voor zoiets als een plot gaat zorgen. Eerder voor nog meer chaos, een stortvloed aan verbale waanzin (zou een leeuw het van een tonijn winnen, of toch andersom?) en op de kop gezette genreclichés.


Voortdurend verzinnen schrijver-regisseur Adam McKay en scenarist Chris Henchy de idiootste dingen om van The Other Guys een absurde santenkraam te maken, met Eva Mendes' gevoelig gezongen ballade Pimps Don't Cry als hoogtepunt.


Die stortvloed aan ongebreidelde onzin werkt een hele tijd zeer aanstekelijk, mede dankzij het vinnige ensemblespel van Will Ferrell en Mark Wahlberg, die er alles aan doen om van hun personages een paar sociaal gestoorde, gefrustreerde zielepieten te maken. Zelfs de eigenlijk ontzettend flauwe grap dat Gamble (Ferrell) op de mooiste vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent, pakt met zulke trieste types goed uit.


Dat The Other Guys na verloop van tijd nogal begint te vermoeien, betekent misschien wel dat hij eerder teveel dan te weinig goede grappen bevat. Of dat de makers gewoonweg geen zin hadden om hun anarchistische buien door zoiets verstandigs als een spanningsboog in te laten perken.


Meer over