Zelfs de rechter moet aan management geloven

Hoe groter de rechterlijke macht, hoe groter de behoefte aan professionelere bedrijfsvoering. Maar wat als de manager aan de top meer uitspraken wil voor zijn gulden?...

Onverantwoord groot is de druk op de rechterlijke macht, vinden vrijwel alle rechters. 'We vechten constant tegen de dossierlawine, zijn als dat jongetje met zijn vinger in de dijk.' J. Mendlik, president van de rechtbank van Rotterdam, laat er geen twijfel over bestaan dat modernisering van de rechterlijke macht en invoering van een stevig management bittere noodzaak is.

Toen Mendlik begon, 38 jaar geleden bij de rechtbank van Breda, werkten daar zo'n twaalf, dertien rechters. 'Een rechtersbijeenkomst was toen nog wel in de hand te houden, er kon zinnig worden vergaderd', zegt hij. 'Bij een middelgrote rechtbank werken inmiddels zeker vijftig rechters, terwijl de juridische en administratieve ondersteuning ook steeds verder uitdijt. Bij een grote rechtbank als die van Rotterdam heb ik al met honderd rechters te maken. En de productie neemt almaar toe. Dan spreekt het voor zich dat ook de rechterlijke macht aan management moet gaan doen.'

Hij zegt dat door de werkdruk, noodgedwongen, al concessies zijn gedaan aan de kwaliteit van de rechtspraak. 'Er ligt nu meer nadruk op enkelvoudige rechtspraak. Het is immers efficiënter als één rechter zich over een zaak uitspreekt dan drie.' En omdat steeds meer rechters alleen moeten opereren, is een goede onderlinge afstemming onontbeerlijk. Mendlik vindt bestuurlijke aanpassingen 'onvermijdelijk', 'juist om de kwaliteit te handhaven'.

Inmiddels liggen twee wetsvoorstellen ter modernisering van de rechterlijke macht bij de Tweede Kamer en zijn alle kantongerechten, rechtbanken en appèlcolleges in het land zich op de komende bestuurlijke veranderingen aan het voorbereiden. Het ene wetsvoorstel regelt een ingrijpende herziening van de organisatie van de gerechten, het andere betreft de oprichting van de Raad voor de Rechtspraak. Het nieuwe bestuursmodel moet op 1 januari 2002 volledig functioneren.

Het bestuur van een gerecht bestaat straks uit een president, een directeur bedrijfsvoering en maximaal vier sectorvoorzitters (van bijvoorbeeld de civiele sector, de bestuurs-, familie-, straf- en kantonsector). De 62 kantongerechten worden bestuurlijk ondergebracht bij de rechtbanken.

Als sluitstuk van de moderniseringsoperatie wordt een landelijke Raad voor de Rechtspraak in het leven geroepen, die boven de gerechten staat en namens hen op het terrein van de begroting en de bedrijfsvoering de relaties onderhoudt met de andere staatsmachten. Die nieuwe raad staat als een soort buffer tussen de gerechten en de minister van Justitie in. Behalve dat de raad het geld regelt voor de gerechten, moet zij ook de juridische kwaliteit en uniformiteit van de rechtstoepassing bevorderen. De leden van de raad - drie rechters, twee niet-rechters - worden bij Koninklijk Besluit voor maximaal twee maal zes jaar benoemd.

Hoewel de rechterlijke macht collectief doordrongen lijkt van de noodzaak tot modernisering, groeit de onrust. Het gaat allemaal te snel. Er is geen tijd meer voor debat, meent de Hoge Raad, die ondermijning van de rechterlijke onafhankelijkheid vreest. Niet alle gevolgen zijn goed doordacht en de overbelaste rechters hebben en krijgen geen tijd om een en ander grondig te bespreken en van kanttekeningen te voorzien.

Sommige rechters vrezen in 'vonnissenfabrieken' terecht te komen. Integraal management is nu het toverwoord en dat betekent dat het toezicht op de kwaliteit van de rechtspraak en de verantwoordelijkheid voor de uitgaven in één hand komen te liggen. Zal de president-manager van de rechtbank niet te snel geneigd zijn meer (rechts)zaken voor zijn gulden te eisen? 'Het is een dilemma waar verschillende beroepsgroepen mee worstelen', zegt H. van den Haak, oud-president van het gerechtshof Amsterdam en lid van de commissie-Leemhuis, die de reorganisatie voorbereidde. 'De ziekenhuizen, universiteiten en sommige media staan voor dezelfde uitdaging om de juiste balans te vinden tussen economische bedrijfsvoering en inhoudelijke autonomie.'

Anderen leggen verontrust de vinger op 'de overlappende taken van Hoge Raad en Raad voor de Rechtspraak'. Beide organen worden geacht de rechtseenheid te bevorderen. Hoogleraar rechtssociologie aan de Erasmusuniversiteit N. Huls wijst in een bijdrage aan het Nederlands Juristenblad (NJB) op het gevaar 'dat er straks twee kapiteins op het schip van de derde macht zijn'. De taakopvattingen zouden inderdaad kunnen botsen, meent Van den Haak. Hij wijst op een toelichting dat er wel 'vormen van contact' moeten zijn tussen de twee organen, maar acht die omschrijving te diffuus. Hij pleit voor een hechte vorm van samenspel tussen de beide raden.

Mendlik, voorzitter van de stuurgroep Raad in oprichting, wuift de angst voor overlap weg. 'De raad richt zich vooral op de eenheid van aanpak, moet het eilandenrijk in de rechterlijke macht overbruggen. Haar taak is puur aanvullend. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het laatste woord.'

Vernietigend is de kritiek van twee hoogleraren staatsrecht P. Bovend'Eert en C. Kortmann in het NJB. Zij suggereren dat de regering de noodzaak tot modernisering gebruikt om meer greep te krijgen op het functioneren van de rechterlijke macht. 'Misschien staat die greep zelfs voorop', schrijven ze. Zij zien de wetsvoorstellen als 'een gevaar voor de onafhankelijke positie van de rechter' en verwijzen ze resoluut naar de prullenbak.

Dat het maatschappelijke debat waar de Hoge Raad om vraagt er moet komen, is duidelijk. Mendlik vindt het jammer dat de fundamentele discussie zo laat op gang komt, nu de wetsvoorstellen al weer enige tijd bij de Tweede Kamer liggen.

'Zeker, het debat moet worden gevoerd', zegt hij. 'Maar ik hoop dat het geen lange, slepende discussie wordt. We mogen de rechterlijke macht niet jaren in een onzekere, zwevende positie houden. Veranderingen moeten snel worden doorgevoerd, het water staat ons aan de lippen.'

Meer over