Zeldzame ontmoeting over de eeuwen heen

Het zuinige oordeel heeft een klein mondje; er is nog nooit een groot woord uit komen vliegen. In het zuinige oordeel kan een dubbeltje een kwartje worden, maar meer is niet mogelijk....

Kees Fens

In een heel mooi uitgegeven boek las ik een zuinige zin, waarbij een nog zuinigere noot hoorde. In het Mauritshuis in Den Haag is een tentoonstelling van de stillevens van Adriaen Coorte: schelpen, groente en fruit tot de stilte van het eeuwig leven verheven, schilderijtjes die horen te hangen in het allerstilste huis: dat met de geloken luiken in Het Straatje van Vermeer. In de eerste kolom van de catalogustekst, geschreven door Quentin Buvelot, las ik: ‘De afwezigheid van overdaad in de voorstellingen heeft moderne dichters zelfs geïnspireerd tot het schrijven van gedichten over de schilderijen van de kunstenaar.’ De zuinigheid verraadt zich uiteraard in het woordje ‘zelfs’ en in een noot waarin twee dichters, Ed Leeflang en Hans Faverey, worden genoemd en naar bloemlezingen wordt verwezen. Klaar, de zuinigheid als eindpunt. We brengen het werk van een uiterst verfijnde schilder bijeen, stellen een mooie catalogus samen, maar een van de grootste dichters uit onze poëzie, die een superieure kleine reeks gedichten onder de titel Adriaen Coorte schreef, krijgt niet het woord. Dit hadden de bezoekers moeten kunnen lezen: ‘Uit zichzelf voortgekomen./ Door zichzelf omstuwd,/ omstold/ en weer ontstold./ Alsof dat boek waar het alles/ in staat mij nog nooit/ uit handen was gevallen./ Daar liggen ze, de schelpen;/ zo toont de aardbei haar bloeiwijze./ Op sommige vruchten hoort een vlieg;/ de toekomst bleef/ even onveranderlijk als nu.’

De hele reeks had natuurlijk in de catalogus gehoord, beeld van een zeldzame ontmoeting over eeuwen heen. Maar literatuur is literatuur en kunstgeschiedenis kunstgeschiedenis in dit land van de zuinige perken. Nou, nou, zegt de zuinige mond, zeven gedichten. Maar ze horen wel tot de stilste van een zeer stille dichter.

In het Rembrandthuis is ook al zo’n mooie tentoonstelling, met ook al zo’n schitterend boek. De rupsen, de vlinders, de vogels, de planten, van Maria Sibylla Merian en haar dochters zijn er te zien. De schrijfster van het boek is Ella Reitsma, die ook de tentoonstelling samenstelde. Het is een heel goed geschreven geschiedenis van kunst en wetenschap, waartussen de grote kunstenares balanceerde. Maar ook hier is de zuinigheid van de eenzijdigheid te ontdekken. Ik citeer een klein fragment uit een groot gedicht dat uit vier delen bestaat:

‘Zie, – uit het westelijk parelgrijze/ licht Frankfort aan de Main herrijzen, zo nauwgezet en ouderwets,/ als weergegeven op een ets./ Over de boogbrug komt geschreden/ een meisje in haar lange leden,/ onder een gele strooien hoed./ Zij is wat rijziger dan ’t moet:/ een lelie die is uitgeschoten,/ met aan haar kelk twee donkergrote/ pauwogen: een nieuwsgierig span./ Het is Sibylle Merian./ Ze loopt, door ’t rulle zand der wegen,/ het goud der korenvelden tegen,/ en zwaait het gazen vlindernet/ Over een korenbloemenbed.’

Ik geef toe: het is poëzie uit een schetsboek (hoewel een voorgaande regel: ‘de klaproos raapt zijn vaandel op’ niet gering is). Wie een oud geheugen heeft, herkent misschien niet het gedicht, maar wel de soort poëzie. De dichter is Bertus Aafjes. Hij publiceerde Maria Sibylla Merian in 1946. Waarom kan er in zo’n groot boek niet enige plaats worden vrij gemaakt voor het gedicht of een paar fragmenten eruit? Het is toch geschreven – en als tekst over de kunstenares een unicum – door een bewonderende minnaar. Zo vaak kunnen dichter en schilder elkaar op tentoonstellingen niet ontmoeten. De twee gevallen zijn misschien typerend voor een cultuur. Laat ik het zuinig zeggen.

Meer over