Zeezicht

Het was zo'n dorp waar je in eerste instantie weinig aan afzag, wat verloren onderaan een klif met het gezicht naar zee, en de rug naar een gebergte, een beetje in het nauw leek het wel....

ZEEZICHT

Een dorp als dit trekt een bepaald soort bezoekers, het soort waarvan de lokale bevolking nooit rijk zal worden, maar dat wel houdt van wat weemoed op z'n tijd en dat er wel tegen kan om een paar uur zwijgend te staren over de golven, dat altijd een lot koopt van de blinde lotenverkoper op de verlaten promenade, niet om wat te winnen, want in een dorp als dit zal nooit iemand wat winnen, dat voel je aan alles, maar omdat zo'n man ook eten moet en niet kan leven van de weemoed van anderen.

Zulk soort mensen waren wij en we namen een kamer in hotel Zeezicht. De receptioniste lachte verlegen toen ze ons de sleutel overhandigde. Er waren geen kamers meer met uitzicht op zee, zei ze, maar ze had er nog wel één die uitkeek op de markt en de promenade, tenminste als we een beetje uit het raam gingen hangen. Daar zagen we een oude vrouw voorbij sloffen. Een smoezelige man rookte een sigaret naast zijn auto.

Voor dit soort dorpen, calculeerden we, heeft Brussel potten vol subsidies. Ter bestrijding van de armoede of ter stimulering van het toerisme, wat in feite hetzelfde was want de helft van het eiland was inmiddels schathemelrijk geworden van het toerisme. Het zou wel zonde zijn van het stille verval en van de melancholie die uit de vervallen gevels sprak, maar daar konden de mensen hier ook niet van eten.

Zo liepen we in de vroege avond naar de promenade met een hoofd vol goedbedoelde gedachten en een handvol kleingeld voor de lotenverkoper. Opeens floepten de lichtjes aan. Een uur later stond de kade vol BMW's, een band speelde ergens Guantanamera, verderop speelde iemand op een synthesizer en de jeugd brommerde lustig heen en weer. Toen ook nog de gerestaureerde klokkentoren oplichtte in een paar oranje schijnwerpers, begrepen we dat dit dorp niet het vermoeide gehucht was zoals het zich aan ons had voorgedaan.

Een beetje jammer wel, zeiden we tegen elkaar toen we terugliepen naar het hotel, maar gelukkig toch voor die mensen. Ze waren niet bij de pakken gaan neerzitten, maar dansten vrolijk de vrijdagavond weg op de promenade, ze hadden de kerktoren opgeknapt en een schijnwerper aangeschaft. Naar nog zou blijken hadden ze een nieuw klokkenspel in de toren gehangen en een beiaardier ingehuurd, die weliswaar nog heel wat moest leren, maar die toch al vanaf de vroege ochtend zijn best deed met zijn Vader Jacob-repertoire.

Ze hadden hier gedacht: hebben ze ginds toeristen, dan wij ook, dus laten we een markt organiseren in het weekeinde, waar iedereen z'n breiwerkjes, borduursels en houtsnijwerk aan de man kan brengen. We zetten de kramen op vóór achten, zodat we klaar zijn als de eerste toeristenbussen arriveren. We sturen ze de markt over en jagen ze op tijd de bussen weer in en tegen enen pakken we een borreltje in het café. Nee, hier had men het leven in eigen hand genomen, inventiviteit gekoppeld aan ondernemerschap.

We zouden daar met bewondering en respect naar hebben gekeken als het hele circus zich niet afspeelde in de avond, nacht en vroege ochtend met een onbeschrijflijk kolere kabaal pal onder het raam van onze hotelkamer die niet eens uitzicht had op zee.

Nell Westerlaken

Meer over