Zanger tegen wil en dank

Zanger Thé Lau staat aan de vooravond van het grootste project uit zijn loopbaan. Hij speelt de hoofdrol in een opera over uitvinder Cornelis Drebbel....

Henrico Prins

Thé Lau is terug. Hij groeide op in Bergen en woont intussen zijn halve leven in Amsterdam, maar hij komt nu al wekenlang bijna elke dag langs zijn oude middelbare school in Alkmaar. Met die stad was hij in zijn tienerjaren vast verklonken – zo voelde dat soms. Als hij nu door de buurt loopt waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht, is dat ‘heel bizar’.

Enfin: hij is terug. Natuurlijk, hij gaat straks ook weer weg, maar voorlopig speelt hij de komende weken de hoofdrol in een opera die de halve stad in zijn greep lijkt te houden. Aan de kop van een haveloos industrieterreintje, op een steenworp afstand van het station, is een berg van zand verrezen, en een podium dat als een grote zwarte spin afsteekt tegen de lucht.

Vanaf vanavond kruipt Thé Lau er tien keer in de huid van Cornelis Drebbel, de uitvinder en kunstenmaker die de wereld verbaasde met schitterend vuurwerk, met machines die uit zichzelf leken te bewegen, met de mooiste kleur rood die ooit is bedacht. Maar bovenal is Drebbel bekend geworden als de man die, in Engelse dienst, de eerste werkende onderzeeboot ontwikkelde: een gevaarte waarin twaalf roeiers van Londen naar Greenwich voeren, diep onder het oppervlak van de Theems. Dat is bijna vierhonderd jaar geleden.

Evengoed kan Lau zich niet herinneren ooit langer dan vijf tellen te hebben stilgestaan bij leven en werken van een van Alkmaars befaamdste zonen. Totdat componist Kees Wieringa hem vroeg of hij, Thé Lau, als gevierd zanger, muzikant en schrijver intussen toch ook uitgegroeid tot een prominent kind van de streek, de hoofdrol wilde vertolken in de opera Drebbel – Het volmaakte rood.

Lau luisterde naar de muziek, liet zich inlichten over de precieze bedoeling van deze ‘belachelijk ambitieuze’ onderneming en maakte kennis met artistiek leider Peter Thoes. Toen was hij op slag gewonnen voor wat hij omschrijft als ‘het grootste project van mijn leven’. Sindsdien zijn er perioden verstreken waarin hij dag en nacht, ‘tot op het ongezonde af’, bezig was met Cornelis Drebbel .

De componist wilde dat Drebbel gespeeld werd door iemand die in elk opzicht contrasteerde met de andere zangers. ‘Nou, dat klopt wel’, lacht Lau. Na recente uitstapjes met een kamerorkest, een tangostrijkkwartet en het bonte gezelschap van Orkest De Volharding is het voor hem bepaald niet de eerste keer dat hij belandt in een omgeving die hij vijftien of twintig jaar geleden, in zijn hoogtijdagen als zanger van de Nederlandstalige rockband The Scene, voor vreemd zou hebben versleten.

Door die ervaringen heeft hij langzaam maar zeker wel leren omgaan met ‘klassiek geschoolde muzikanten en hun eigenaardigheden’. Hij vindt het geestig om te ervaren dat de oudere generatie musici nog steeds met onverholen dedain spreekt over ‘popmuziek’, terwijl mensen van rond de 30 met een conservatoriumachtergrond verre van bekrompen reageren op zijn afkomst.

Met de cast van Drebbel klikte het meteen. Hij heeft, zegt hij nu de repetities in volle gang zijn, ‘nog nooit zoiets geweldigs meegemaakt’. Hij wist ook niet precies wat hij ervan moest verwachten. ‘Voor hetzelfde geld had ik met drie Bianca Castafiores te maken gekregen die elk moment stampvoetend zouden kunnen weglopen. Zo is het absoluut niet.’

Integendeel. Karin ten Cate, de sopraan die in de opera een rijke weduwe speelt, was komen kijken naar een van zijn concerten met De Volharding. In de wetenschap dat een ‘echte zangeres’ zijn rauwe, afgemeten stemgeluid kon ervaren als, op zijn zachtst uitgedrukt, ‘nogal beperkt’, wilde Lau na afloop weten wat ze ervan had gevonden. Best goed, zei Ten Cate, om de hete brij heen draaiend. ‘Mooie avond, en zo.’ Toen vroeg hij maar gewoon wat ze vond van zijn performance, van de samenwerking met het orkest. ‘En dat, zei ze, was wél heel intens geweest.’

Hij heeft leren leven met zijn tekortkomingen als vocalist – en ook dat is dan nog zacht uitgedrukt. Hij noemt zichzelf eerder zanger tegen wil en dank, ‘ik ben gaan zingen uit noodzaak, er was niemand anders, ik was in een bandje liever tweede man geweest’.

Een zanger is van nature een potloodventer, dat is zijn stellige overtuiging, en hij vindt zichzelf daarvoor veel te introvert. ‘Als mensen bij mij in de zaal zitten, zullen ze moeten accepteren dat ik het grootste gedeelte van de tijd naar de grond kijk, en dat ik dat doe omdat ik luister naar wat ik aan het doen ben: of het klopt, of het overkomt. Verder doet de tekst zijn werk wel, denk ik dan.’

Wie hem deze week, tijdens de repetities, met zijn rockersmotoriek ziet bewegen tussen de vlinderende acteurs en operazangers, constateert dat Thé Lau voor alles toch helemaal zichzelf is gebleven. Zo voelt het ook, zegt hij. ‘Ze geven me de vrije hand. De regisseur zegt: hoe dichter je bij jezelf blijft, hoe beter het is.’

Dat is een opvatting waarin hij zich kan vinden. Het lijkt er steeds vaker op dat het juist deze karaktertrek is, een milde vorm van eigengereidheid, die hem op zijn 55ste in het Nederlandse muzikale landschap een functie heeft bezorgd die het midden houdt tussen bruggenbouwer en zendeling. Als serieuze muziek – klassiek of niet; met of zonder rafelrandje – vertaald moet worden naar een groot publiek, komen ze tegenwoordig geregeld bij hem uit.

‘Het Vlaamse kamerorkest waarmee ik een tijdje geleden optrad, trok eerst tachtig man publiek. Met ons programma waren het er achthonderd.’ Bij De Volharding voltrok zich laatst weer iets anders: ‘Je kunt wel werk van onbekende eigentijdse componisten spelen, maar ik heb gemerkt dat het ontzettend scheelt als je bij zo’n concert eerst probeert te vertellen waarover het gaat en uit welke traditie het komt.’

Dat zijn waardevolle dingen, vindt hij. ‘En het mooie is: ze komen vanzelf op mijn pad, terwijl ik in de gloriejaren van The Scene veel meer in de publiciteit stond. En nu zijn de bedragen die ik ervoor krijg, ook nog eens substantieel groter dan toen.’ Haast verontschuldigend: ‘Ja, ik snap er zelf ook eigenlijk niets van.’

Is hij, net als Cornelis Drebbel, na zijn 50ste opnieuw tot bloei gekomen? Het is een verleidelijke parallel, maar hij kan er niet veel mee. ‘Ik vind het de laatste jaren voornamelijk leuk, en spannend. Naarmate ik ouder word, word ik evenwichtiger. Creatief kan dat een probleem gaan vormen: herhaling is soms onvermijdelijk, ik maak me daar weleens zorgen om. Het moet niet saai worden.’

Met zijn rol in Drebbel zit dat er niet in. Het is voor het eerst dat hij op het podium moet acteren en een kostuum draagt. ‘Maar het voelt heel normaal, hoor. Of, nou ja: voor het affiche van de opera heb ik één keer geposeerd met een plaksnor, een enorm geval. Dat ging me toch echt te ver.’

Thé Lau is terug, en in Alkmaar wordt het op prijs gesteld. ‘Ze vroegen me of ik de kaasmarkt wilde openen. Een hele eer. Maar dat zou op de dag van de première zijn, en dan staat mijn hoofd er echt niet naar. Dus ik heb vriendelijk moeten bedanken.’

Meer over