YAAR KEMAL ZET ZICHZELF VOOR HET BLOK Stijf van de symboliek

S INDS KEMAL ATATÜRK in oktober 1923 in Turkije de republiek uitriep, heeft het dilemma van de Turken zich weliswaar op allerlei manieren ontwikkeld, maar wezenlijk veranderd is het niet....

MICHAEL ZEEMAN

Het is inmiddels een eindeloze geschiedenis, Turkije tussen Oost en West, tussen aanpassing en folkore. Terwijl bovendien in het toch al zo warrige debat over de noodzaak van verandering en de gehechtheid aan een glorieus verleden telkens opnieuw de suggestie wordt gedaan van een niet erg duidelijke derde weg, die het dilemma van Europa versus de islamitische wereld tracht te omzeilen door een als 'typisch Turks' aangeprezen alternatief te opperen. De curieuze coëxistentie van de hoofddoekjes in Istanbuls sloppenwijken met de mondaine etalages van enkele straten verder, wordt in dat beeld op een even aandoenlijke als naïeve manier van een tegenstelling omgesmeed tot een mogelijk vruchtbare status quo.

Als je niet kunt kiezen tussen de charmes van het verleden, die zo op het oog al hun zin verloren hebben, en de verlokkingen van de nieuwe tijd, die met een zekere kilheid gepaard lijken te gaan, kun je altijd proberen voor beide te kiezen. Maar dat leidt onvermijdelijk tot schizofrenie, en die schijnt door de betrokkenen als onaangenaam te worden ervaren: zo is er altijd wat.

Istanbul is er natuurlijk het fraaist denkbare zinnebeeld van: een stad op twee oevers, het balkon en de voordeur in Europa, de tuin en de achterdeur in Azië. En zoals dat gaat, ziet die achterkant er een stuk havelozer uit dan de voorgevel, en moet je wel heel listig kunnen redeneren om hen daarachter ervan te overtuigen dat dat juist de bedoeling is. Het Huis der Stilte noemde de Turkse schrijver Orhan Pamuk enkele jaren geleden de roman waarin hij het conflict tussen traditionalisme en moderniteit in het perspectief van de Turkse twintigste eeuw plaatste. Maar stil zal het er nooit worden, in dat huis: De Witte Vesting van Istanbuls verleden, een eerdere roman van Pamuk, werd in de twintigste eeuw tot een Zwart Boek - zijn tot dusverre laatste.

Zoals het maatschappelijk debat in Turkije wordt gedomineerd door beelden, door voorstellingen, door verhalen van vroeger en voor morgen, zo wordt de literatuur er in deze eeuw altijd gekleurd door dat politiek-maatschapplijke vraagstuk. Geen Turkse schrijver ontkomt eraan, en het tragische gevolg van die fundamentele onzekerheid over wat precies de plaats van dat land in de wereld moet zijn, is dat de verantwoordelijke politici bruusk en hardvochtig op die literatuur reageren. Keer op keer raken Turkse schrijvers in moeilijkheden, omdat ze zich te veel met de politiek zouden bemoeien - wat op zichzelf al een idioot verwijt is, maar hier nog eens extra schrijnend wordt, doordat je in Turkije geen letter kunt schrijven zonder de politieke toestand te becommentariëren.

Yaëar Kemals kleine roman Ook de vogels zijn verdwenen is er een indringend voorbeeld van. De vogels zijn de zangvogels die kleine jongens aan de rand van Istanbul in hun klapnetten trachten te vangen. Eeuwenlang is het de gewoonte geweest dat ze met hun volgepropte kooitjes naar de berg gingen die aan de Bosporus het eindpunt van Europa markeert, de berg waarop de moskee staat die ooit als een basiliek werd gesticht. Daar werken ze op het gemoed van de gelovigen, al die schitterende zangvogeltjes in hun benauwde ruimte. De kopers laten ze terstond vrij om op die manier een dubbele voorspraak in de hemel te verwerven: een goede daad is verricht, en God of Allah moeten wel spijkerhard zijn, willen ze zich onbereikbaar houden voor dat juichende getwinkeleer van die beestjes die ze dartel naderbij zien fladderen.

De jongetjes zijn nog dag in, dag uit bezig met vangen: dat hebben ze zo geleerd. Maar de vogeltjes zijn aan de straatstenen niet meer te slijten. Terwijl ze, als waren het opgenaaide aasvisjes, allengs sterker op ons gemoed zijn gaan werken, en de drang ze vrij te kopen er alleen maar sterker op is geworden, is er bijna geen mens meer die zich geroepen voelt om dat metterdaad te doen. Want het motief daarvoor hoort bij een andere tijd. Rond de koepel van de Blauwe Moskee is het stil geworden. Het vrolijke geschitter van putters, vinken en mezen is verdwenen, hoogstens scheert er een duif of een grauwe zeevogel langs - het gekwetter en gezang maakt plaats voor zo nu en dan een meeuwenschreeuw.

In iedere andere cultuur zou het verhaal dat Kemal in Ook de vogels zijn verdwenen vertelt, een charmante vertelling kunnen zijn, de weemoedige registratie van het verstrijken van de tijd en het veranderen van de dingen - en een beroep doen op het uitgebreide register van poëtische clichés en clichématige poëtica's. Het benoemen van symbolen en het waarderen van de keuzen die de schrijver voorstaat, zouden een vrijblijvende en individuele aangelegenheid zijn, een tikje versleten in zijn literaire ambitie, maar niettemin ontwapenend in zijn spel met de eeuwige motieven en sentimenten van de melancholie.

Overal - behalve in Turkije. Dat geeft tegelijkertijd iets benijdenswaardig vitaals aan de Turkse literatuur, als iets stuitend zwaartillerigs. Want wat je er ook schrijft, het krijgt ogenblikkelijk een zekere buiten-literaire relevantie. Zelfs als je dat als schrijver niet wilt, ontkom je er niet aan: dan zijn er wel anderen die dat erin leggen. Kemal kan ervan meepraten: hij heeft er naast een indrukwekkende loopbaan als schrijver een nog indrukwekkender carrière opzitten als gedagvaarde in politieke processen. Hij is Turkije's beroemdste levende auteur - zijn naam prijkt al jaren op de speculatieve shortlists voor de Nobelprijs voor de literatuur - en hij is tegelijkertijd hun beroemdste ontvanger van dagvaardingen.

Zijn individuele lot werd er niet beter op doordat Kemal van Koerdische afkomst is en geen gelegenheid ongebruikt heeft gelaten om de Turkse regering een vuile oorlog met de Koerden te verwijten. Hij heeft zijn internationale faam dikwijls gebruikt om aandacht te vragen voor het lot van de Koerden. In Ook de vogels zijn verdwenen komt die kwestie, die vermoedelijk opnieuw een manifestatie is van het Turkse dilemma, echter niet aan de orde.

Maar je moet wel een ernstig geval van symboolblindheid zijn, wil je je al lezend aan de rest van de vragenlijst kunnen onttrekken. Het verdrietige is dat de auteur daarmee vermoedelijk onrecht wordt aangedaan: hij kan ook voor ons geen zin schrijven zonder meer te bedoelen dan die zin op het eerste gezicht zegt. Niet alleen zijn rechters, ook wij politiseren hem.

Want die jongetjes doen in feite niets anders dan hun vaders en grootvaders - maar ze komen er niet mee weg. Wat indertijd, een, twee generaties terug, op zichzelf stond, was wat het was, betekende wat het betekende, is buiten hun schuld een beladen handeling geworden, een symbolische handeling waarin zich veel meer weerspiegelt dan zij ooit kunnen bedenken. Die zoom van halflandelijkheid die Istanbul omgeeft, de velden waar zij hun vogeltjes vangen, wordt weggeperst door de uitdijende stad. Hun vermaak wordt bedreigd. De berg in het hart van de stad is van een plaats met betekenis, een oord van aanbidding, boetedoening en contemplatie, een toeristische attractie geworden.

Op zichzelf is dat geen uniek-Turkse aangelegenheid. Waar het om gaat is dat het benoemen en beschrijven van die plaatsen voor de literator zo beladen geworden is - en ook dat is buiten zijn schuld om gebeurd. Zijn taal en zijn beelden worden haast in al hun verschijningsvormen lieux de mémoire, iedere aanduiding krijgt er subiet de onbesuisde kracht van een ouderwets hoofdartikel. Of Kemal dat wil is nog maar de vraag, maar er is geen ontkomen aan.

De jongens zitten voor schut met hun zangvogeltjes en de man die ze observeert, heeft uit sympathie voor de traditie zo met ze te doen, dat hij ze een roofvogel voor hem laat vangen. Die kun je zo africhten dat hij kwartels voor je verzamelt - de vlezige vogels die doodvermoeid uit de woestijnen van Arabië zijn komen aanvliegen. En die kwartels kun je weer verkopen.

En opnieuw zet de schrijver zichzelf voor het blok: waar komen ze vandaan, die kwartels? Domme, logge vogels, die indertijd de Israëlieten onder Mozes in de woestijn al tot voedsel dienden: ze staan stijf van de symboliek, nog voor ze gevangen, geplukt en gebraden zijn. Wat gebeurt er met de poëtische traditie? Die verwordt tot een zaak van economisch nut - zoals het plein bij de moskee een toeristische attractie werd.

Kemal gaat dat niet oplossen, in de politieke praktijk zomin als in de literaire. Dat is vermoedelijk de kracht van zijn schrijverschap, dat hij niet kiest, dat de melancholie over de uitholling van de traditie geen nostalgie wordt. Aan het opdringerige gewicht van de symbolen ontsnapt hij niet, dat hij zich aan het debat weet te onttrekken, pleit voor de oprechtheid van zijn werk.

Michaël Zeeman

Yaëar Kemal: Ook de vogels zijn verdwenen.

Uit het Turks vertaald door Wim van den Munkhof.

De Geus; 125 pagina's; * 32,90.

ISBN 90 5226 386 8.

Meer over