Xhevrie zag alleen het onthoofde lijk van haar man

Valentina leefde nog toen Servische agenten haar op de vrachtauto tussen de doden legden. Ze bewoog haar rechterhand naar haar hart....

Van onze correspondent Michel Maas

Faze schreeuwde tegen de agenten: 'Ze leeft nog! Kijk dan! Ze leeft! Jullie moeten haar helpen.' Maar de agenten legden Valentina op de vrachtauto tussen de doden, en dat was het laatste wat Faze Cela van haar achttienjarige dochter zou zien. De agenten gebaarden dat ze door moest lopen en de vrachtauto met Valentina verdween even later richting Prizren.

De tractor waarop Faze en Valentina zaten was even na half twee getroffen door een bom. Faze (52) weet een dag later nog steeds niet wat het was. Ze waren woensdagmiddag met een konvooi vluchtelingen op weg tussen Djakovica en Vizren. Om half twee ontploften vlak naast hun tractor twee granaten. 'We gingen harder rijden. Tien minuten later was er weer een ontploffing. Die miste ons ook. En weer tien minuten later volgde de derde.'

Faze Cela vertelt haar verhaal zonder een spoor van emotie. De schok van wat haar is overkomen is nog te vers. De bom die de tractor vol trof, doodde haar man Imer en vermoedelijk ook Valentina, die toen ze haar voor het laatst zag zwaar gewond was aan haar hoofd, haar rug en haar benen. Faze zelf werd door de klap van de tractor geslingerd en kwam neer in de berm. Haar kleren stonden in brand, en toen zij het vuur wilde blussen verbrandde zij haar handen.

Xhevrie Bajrami werd eveneens weggeslingerd. Maar Fehrat, haar man die de tractor bestuurde, werd gedood. Zijn hoofd werd van zijn romp geslagen. Ook Xhevrie kan de omvang van wat haar getroffen heeft niet bevatten. Ook zij weet niet wat hen getroffen heeft. Ze herinnert zich niet meer dan de explosies en het moment dat zij in de berm overeind kwam en het onthoofde lichaam en het hoofd dat ergens anders lag. Haar zwager, die op de volgende tractor zat verloor een arm, weet ze nog. Misschien waren er meer doden.

Sanija Drogaj zag het gebeuren. Ze liep vlak achter de tractor toen de granaat insloeg. 'Ik zag een hoofd van een van de mannen, de schedel lag open, ik kon het niet aanzien en ben met de kinderen weggevlucht.' Faze en Xhevrie zijn ten slotte ook verder gelopen. Met Xhevries zes kinderen. Ze liepen tot middernacht, werden voorbij Prizren in bussen geladen en bereikten rond één uur 's ochtends de Albanese grens. Van daaruit zijn ze naar het door Grieken beheerde vluchtelingenkamp Athina gebracht, even buiten Kukes.

In Athina groeit, uit getuigenverklaringen, langzaam een beeld van wat zich woensdagmiddag in Kosovo op de weg tussen Djakovica en Prizren heeft afgespeeld. Een konvooi van duizenden Kosovo-Albanezen was op weg naar de Albanese grens. Rond half twee 's middags verscheen er een vliegtuig aan de hemel. Het toestel beschreef enkele cirkels, schoot toen twee raketten af, draaide nog een cirkel en schoot vervolgens raak. De tractor van de Bajrami's en Cela's werd aan flarden geschoten. De tweede tractor werd geraakt. Tien tot vijftien mensen werden gedood, eenzelfde aantal raakte zwaar gewond en werd door de Servische politie met vrachtauto's afgevoerd, vermoedelijk naar het ziekenhuis in Prizren.

Minder duidelijk was de herkomst van het vliegtuig. Bajram Qitaku zweert dat het een Joegoslavische MiG-21 is geweest. 'Ik weet hoe die vliegtuigen eruit zien. Ik heb tien jaar bij de Joegoslavische luchtvaartmaatschappij JAT gewerkt.' Het vliegtuig was zwart, het was grijs, het was blauw. Het vloog zo hoog dat het moeilijk te zien was, nee het vloog laag maar wel snel. In de paniek heeft niemand goed opgelet. 'We lagen met ons gezicht naar de grond', zegt Faze Cela. De Servische agenten die na twintig minuten de slachtoffers kwamen ophalen, riepen de vluchtelingen toe: 'Kijk, dat is nou jullie NAVO, die jullie bombardeert.' Maar geen van de overlevenden kan werkelijk geloven dat het de NAVO was die op hen heeft geschoten. Sommigen menen wel dat het een NAVO-vliegtuig is geweest.

Maar volgens hen vloog het alleen maar over, het schoot niet. 'De Serviërs schoten op ons. Ze schoten vanaf de bergen', zegt Xhanija Drogaj heel beslist.

De overlevenden bereiken in de nacht van woensdag op donderdag de Albanese grens en Kukes. Voor de meesten is de aanval van woensdag alleen maar een incident geweest. Een verschrikkelijk incident, maar half zo verschrikkelijk als wat ze moesten doormaken voordat ze op die plaats waren aangeland.

De meesten zijn komen lopen uit Kladernica, in Drenica. De school van Kladernica was een verzamelpunt voor duizenden vluchtelingen die door de Servische politie waren weggejaagd uit de bossen. De mensen waren zondagnacht de bossen ingevlucht toen Servische troepen hun dorpen begonnen te beschieten.

Bukurie Xinani vertelt hoe de Servische politie hen maandagochtend in alle vroegte in het bos omsingelde. Ze heeft gezien hoe ter plekke zeven mannen werden doodgeschoten. Van vier van hen kent ze de namen: Ahmet, Nazmi, Xhevtet en Rexhep Osmani. 'Ze zeiden: ''Jij bent van het UCK (het Kosovo bevrijdingsleger, red.)'', en schoten ze dood.'

Ze zag hoe andere mannen gedwongen werden om op de grond te gaan liggen. 'Maar we mochten niet kijken, we moesten doorlopen. Dus ik heb niet kunnen zien wat er met hen is gebeurd.'

De vluchtelingen werden rond de school bijeengedreven. Wie probeerde weg te lopen werd doodgeschoten. Maandagmiddag zette de politie de vluchtelingen in beweging. Onder zware bewaking moesten ze naar Kopelic lopen.

Daar werden de overgebleven mannen van de vrouwen gescheiden. Uajup Kajtazi is pas vijftien, hem lieten ze gaan. Maar driehonderd mannen - onder wie twee broers en de vader van Bukurie Xinani - werden weggevoerd.

In kamp Athina zijn vrijwel uitsluitend oude mannen te vinden. Oude mannen, vrouwen en kinderen, met in hun hoofd beelden van lijken, en beelden van de mannen die ze mogelijk niet meer levend zullen terug zien. Maar die misschien toch nog leven, net als Valentina Cela.

'Ze leefde nog', zegt haar moeder Faze dof. 'Maar ze moet wel dood zijn. De wond aan haar hoofd was vreselijk.'

Meer over