Wrikken aan Linnaeus

Meer dan twee eeuwen geleden, in 1758, publiceerde de Zweedse bioloog Carolus Linnaeus zijn boek Systema Naturae waarin hij aangaf hoe het planten- en dierenrijk moet worden ingedeeld....

Elk organisme krijgt een geslachtsnaam, plus een soortnaam: Homo sapiens bijvoorbeeld. Die woorden zijn de tak en de twijg aan een nog veel grotere taxonomische boom: achtereenvolgens is er nog de familie (mensachtigen), de orde (primaten), de klasse (zoogdieren), de superklasse (vierpotigen), de filum (ruggegradigen) en het rijk (dier).

Dat levert niet alleen een in principe unieke indeling op voor alle levende wezens. Bovendien, zegt dr. Marco Roos van het Nationaal Herbarium Nederland in Leiden, is het grote voordeel dat een systematische naam tenminste te onthouden is. 'Dit in tegenstelling tot een nummersysteem.'

Maar Linnaeus moet op de helling, vindt een groep Amerikaanse biologen die de laatste jaren meer en meer kabaal produceert. Linnaeus had meer dan een eeuw vóór Darwin namelijk geen notie van evolutie en kon dus onmogelijk de diepere biologische verwantschappen in kaart brengen. En dus zit de moderne biologie opgescheept met een naamgevingssysteem dat haar in wezen niet past.

Vorig jaar publiceerde hun voorman Philip Cantino (Yale) op internet een geheel nieuw systeem, de PhyloCode, dat bij uitstek die verwantschappen recht doet. Linnaeus' tweeledige namen verdwijnen, die worden nummers en afkortingen. Intussen, meldt het weekblad Science, is er een stille revolutie gaande. Voorstanders van het nieuwe systeem bezetten opvallend veel sleutelposities voor de verdeling van middelen voor biologisch onderzoek.

Belangrijkste argument voor de PhyloCode is dat er niet hele groepen van organismen omgedoopt moeten worden als een bioloog besluit dat hogerop in de indelingsboom een plant of dier bij nader inzien misplaatst is. In geval van commerciële gewassen kan dat zelfs veel geld kosten, al was het maar om databanken om te dopen. Nu wordt zo'n dwaling gerepareerd met uitzonderingsregels in het linnaeische systeem. Het betreffende handboek beslaat inmiddels zeshonderd pagina's.

Tegenstanders erkennen dat het behelpen is, maar ze hechten vooral aan de herkenbaarheid in het klassieke systeem, dat is gebaseerd op de uiterlijke kenmerken van een plant of dier.

Plantsystematicus Roos in Leiden is van die laatste school. Hij bestudeert in het Verre Oosten de plantenwereld, waarvan nog maar hooguit 20 procent in kaart is gebracht. 'Dat soort indelingskwesties zijn een beetje de juristerij van mijn vak. Ik ben vooral dolblij als ik nu en dan een paar nieuwe soorten te boek kan stellen. Wij werken nog aan verbréding van de kennis.'

En daar, zegt hij, zit de eigenlijke angel in het rumoer. 'De Noord-Amerikaanse flora is een heel ander verhaal dan Azië. Er is al heel veel bekend en beschreven, en nu komt het volgens sommigen aan op de optimale indeling. Het is een beetje een luxeprobleem.'

Europa, zegt Roos, laat de Amerikaanse twisten een beetje aan zich voorbij gaan. Hier, zegt hij, is weliswaar ook al heel veel beschreven, maar er is geen sprake van een continentale flora in één hand, waar de stofkam doorheen kan. En de biologie als geheel ziet hij voorlopig Linnaeus nog niet loslaten. 'Daarvoor win je niet genoeg. Bij de beschrijving van een nieuw plantje voeg je volgens de publicatiecode altijd een diagram van zijn taxonomische positie toe. Dat is veel belangrijker.'

Maar, zegt Roos, hij is natuurlijk ook maar een plantsystematicus met een territorium waar ontdekken nog volop aan de orde is. Ooit is dat misschien anders, beseft-ie.

Meer over