Wraak in vileine sleutelroman

W.F. Hermans had de pest aan pennenlikkers van alle overheden, en omdat hij de pest had aan Nederland - we konden het onlangs nalezen in het mooie boek Muizenhol - Nederland volgens W.F.Hermans van Ronald Havenaar - haatte hij de Nederlandse overheid nog het meest....

Aleid Truijens

Voor de allerhoogste staatsdienaren gold, ontdekte Hermans: zodra hij, Hermans, had aangetoond dat iemand een 'prutser of leugenaar' was, maakte deze een sprong in zijn carrière: Jo Cals trok na de affaire rond de roman Ik heb altijd gelijk - Hermans werd vrijgesproken van de aanklacht dat hij daarin de katholieken had beledigd - de subsidie in voor het tijdschrift Podium, en werd premier; Hermans haalde zijn gelijk in de Weinreb-affaire en zijn tegenstander Aad Nuis werd staatssecretaris; Tweede-Kamerlid J. de Koning liet een onderzoek instellen naar de universitair docent Hermans, een affaire die leidde tot zijn vertrek uit Groningen, en jawel, enkele jaren later was hij minister.

Na zijn 'eervol ontslag' in Groningen nam Hermans wraak met de vileine sleutelroman Onder professoren (1975). Professor Dingelam kreeg in die roman de Nobelprijs voor Scheikunde. Hij kocht een doos taartjes om dit heuglijke feit te vieren met zijn collega's. Maar die hadden wel wat belangrijkers aan hun hoofd: de universiteit werd bezet!

'Halt! Politie!', zei een agent die daar met getrokken pistool de wacht hield.

'Weet u wel wie u voor zich heeft', antwoordde Dingelam. 'Ik ben professor Dingelam en ik ben op weg naar mijn kamer. Mijn eigen kamer.' 'Niks mee te maken', zei de agent. 'Ik heb order niemand binnen te laten.'

'Van wie krijgt u zulke idiote orders?'

'Dat gaat u niets aan.'

Daar stond hij, met de weliswaar nog steeds ongeschonden taartjesdoos, maar toch wel voor schut. Hij klapte de doos open en zei tegen de agent: 'Neem een taartje, goede man, het is namelijk een feestelijke dag voor mij.'

'Wij nemen geen geschenken aan in diensttijd.'

'Wees dan zo goed om mij door te laten naar mijn kamer, dat ik deze doos kwijt kan.'

'Meneer, nou moet u es goed luisteren. Die doos. . .'

De agent was van plan geweest om nog meer te zeggen, maar ineens wendde hij zijn blik af. Een hogere politieman, kenbaar aan een witte sjaal om zijn hals, kwam naderbij.

'Inspecteur', zei de agent, 'deze meneer hier is op weg om de herrieschoppers boven op taartjes te trakteren.'

'Ik ben professor Dingelam, inspecteur, ik heb alle recht, ja zelfs de plicht hier te zijn en naar mijn kamer te gaan. En wat die taartjes betreft, die heb ik meegenomen voor mijn naaste medewerkers, omdat ik toevallig een paar dagen geleden de Nobelprijs voor Scheikunde heb gekregen, en nergens anders om.'

Dingelam werd ervan beschuldigd dat hij de politie had gebeld; de andere docenten hadden zich immers 'solidair' verklaard. Ontgoocheld droop hij af. Thuis zei zijn vrouw Gré: 'Het is wel oppassen dat hij niet te veel verbeelding krijgt.'

Meer over