Woudloper of struikrover

ZE WERDEN bushwhackers genoemd - de ongeregelde bendes die tijdens de Amerikaanse burgeroorlog uit naam van de afgescheiden zuidelijke staten sabotageacties uitvoerden tegen Yankees uit het noorden....

Jan Blokker

De dubbelzinnigheid zit al in de naam, waarmee zowel woudlopers als struikrovers worden aangeduid. In de werkwoordsvorm kap je jezelf de ene keer een vreedzame weg door de jungle, en een andere keer voer je slinkse aanvallen uit op argeloze tegenstanders.

De meeste bushwhackers moeten tussen 1861 en 1865 actief zijn geweest in Missouri, dat in 1821 als 24ste staat was toegelaten tot de Unie, en dat veertig jaar later door z'n strategische ligging in de Midwest letterlijk in het hart van het conflict kwam te liggen. Er werden om te beginnen slaven gehouden. Weliswaar op aanzienlijk bescheidener schaal dan in de grote plantage-staten, maar toch. Dankzij de recente instroom van noordelijke immigranten en Europese nieuwkomers was er politiek net geen meerderheid gevonden om de Unie te verlaten, maar onder de oerbewoners leefde warme sympathie voor de zuiderburen in Arkansas, Alabama en Texas, en sowieso een virulente afkeer van federale bemoeizucht - of het nou om slaven ging of om iets anders.

Als Border State zou Missouri op die manier het toneel worden, niét van beroemde Gettysburg- of Chattanooga-achtige veldslagen, maar van een even anonieme als meedogenloze guerrilla-oorlog, waarin de vechtende partijen niet zelden uit één stad, één dorp of één familie kwamen. In weinig andere staten kan de onderlinge verdeeldheid zo groot zijn geweest. Naar schatting honderdvijftigduizend vrijwilligers kozen voor de krijgsdienst in een van beide kampen. Het precieze aantal bushwhackers is onbekend, maar hun keuze stond vast: vóór de alternatieve president Jefferson Davis in Richmond, Virginia, tégen Abraham Lincoln, de gehate nikkervriend uit Washington DC.

De eeuwigheid hebben ze geen van allen gehaald - op één na: Jesse James.

Er kan over getwist worden of hij de in Missouri ingeburgerde 'erenaam' überhaupt wel verdiende. Hij was nog geen veertien toen de oorlog uitbrak, en tegen de tijd dat hij in een gang samen met z'n oudere broer Frank z'n eerste slachtoffers maakte (vermoedelijk tien burgers tegelijk) was hij zestien, en waren de kansen voor de Zuidelijken eigenlijk al gekeerd. Hij moest nog achttien worden toen het allemaal was afgelopen, en hij onder de nogal wraakzuchtige Reconstructiewetten van het zegevierende Noorden alsnog aan een normaal leven had kunnen beginnen. Maar dat deed hij niet. Hij bleef bushwhacker, dat wil zeggen dat hij als lid en al snel als leider van allerlei bendes een oorlog voortzette die er formeel dus niet meer was.

Daarmee ontviel aan zijn daden de politieke, sociale of 'ideologische' rechtvaardiging van verzetsheroïek. Voortaan zouden z'n guerrilla-activiteiten worden bestempeld als het werk van een bandiet, een crimineel, een outlaw. Van z'n standplaats in Missouri tot ver in Minnesota, Michigan, Kentucky en Tennessee zou nog twintig jaar lang z'n facie prijken op de buitenmuur van elk sheriff-kantoor. Wanted, Dead or Alive. In 1882 werd hij onder het oog van vrouw en kind in z'n eigen huis doodgeschoten door twee heren die naar letter en geest van de wet ook niet helemaal brandschoon waren, maar die wel de beloning opstreken. Hij was nog geen vijfendertig.

In de mêlee van volksballaden, krantenverslagen, stuiversromannetjes, sensatieverhalen en instant-legendes over het nog maar voor de helft ontgonnen Amerika uit het midden van de negentiende eeuw, zijn helden en boeven, cowboys en goudzoekers, ontginners en avonturiers, ordescheppers en veedieven allengs over één kam geschoren, en voorzover ze niet al in de negentiende eeuw gezamenlijk deel werden van een en dezelfde Amerikaanse mythe, zou Hollywood er in de twintigste definitief één pot nat van maken.

Zo versmolt ook het beeld van Jesse James met dat van zulke uiteenlopende legendarische figuren als Butch Cassidy, Billy the Kid, Wyatt Earp, Calamity Jane of de Dalton-brothers. Maar hij was in z'n gewetenloze misdadigheid toch net van een andere categorie dan de rest - dat is de stelling die de historicus T.J. Stiles omslachtig verdedigt in een biografie die als verduidelijkende ondertitel de kwalificatie Last Rebel of the Civil War meekreeg.

De omslachtigheid is een euvel dat we bij meer half-journalistieke Amerikaanse onderzoekers tegenkomen. Hun research is onberispelijk, maar daar lijken ze ook zo verguld mee dat ons werkelijk niets wordt onthouden van wat ze onderweg aan kleinigheden zijn tegengekomen. Dat vraagt van de lezer enig woudloperstalent: je hebt een kapmes nodig om op het juiste pad te blijven. Maar verder geen kwaad woord over Stiles. Hij schetst een fascinerend portret van de Amerikaanse samenleving uit de jaren vijftig van de negentiende eeuw: halfklaar, nog een reusachtig continent te winnen op een weerbarstige natuur en nog weerbarstiger indianenstammen aan gene zijde van de Mississippi, en in de greep van twee reusachtige tegenstellingen: de ene tussen het snel verstedelijkende en geïndustrialiseerde noorden, en het pastorale slavenhouderszuiden; de andere tussen het moderne oosten, waar ze al bijna van wolkenkrabbers droomden, en het verre westen dat, voorzover al een beetje ontgonnen, eerder aan de prehistorie deed denken.

Vrijwel op het snijpunt van die twee beslissende ontwikkelingslijnen groeide dus de kleine Jesse James op in een oppassend boerengezin (vader was ook nog vrijetijdsprediker bij de baptisten) met een paar slaven van wie er eentje zich, als een midden-Amerikaanse baboe, meer speciaal over het jongste van de twee kinderen ontfermde. En precies op dat snijpunt sloeg in 1861 de totale ontwrichting van de burgeroorlog toe.

Is het zo gekomen?

Vermoedelijk, betoogt Stiles, die zich soms vermomt als een reclasseringsambtenaar après la lettre, zonder overigens de cliënt helemaal te willen disculperen voor diens misdadige gedrag dat hij zelfs - zij het onder de uitdrukkelijke verzekering dat we daarbij niet meteen aan de Rode Brigades, de Tamil Tijgers, laat staan aan Osama bin Laden (!) mogen denken - terroristisch noemt.

Hij ontrafelt de diverse soorten gewelddadigheid die verbonden zijn geweest met de Manifest Destiny, en die in 99 van de honderd gevallen met het rauwe cowboyleven en vooral met de anarchie van het Verre Westen te maken hebben gehad. De vader van Jesse James heeft tegen z'n zoon nooit gezegd: 'Go West, young man.' Jesse bleef gefixeerd op de noord-zuid-tegenstelling. Dat hij tijdens al z'n moordexpedities (waarvan Stiles ons geen bloederig detail bespaart) door tienduizenden omstanders - en in de hoofdartikelen van de Kansas City Times - als een nieuwe Robin Hood bewonderd bleef, kan ook alleen maar verklaard worden uit de diepe wrok die nog jaren na dato in het zuiden is gekoesterd.

Het geweld speelt een hoofdrol in Jesse James. Bijna langs z'n neus weg wijst Stiles op de criminogene invloed van de burgeroorlog: vóór die tijd was de aankoop van een wapen zoiets als een onderonsje met de wapensmid. Dankzij de massaproductie van de firma Colt en het feit dat miljoenen gedemobiliseerde militairen na 1865 hun revolver mee naar huis konden nemen, is de Amerikaanse samenleving nadien tot de tanden toe bewapend gebleven. En er zijn zoals bekend nog altijd kwaadwillige sluipschutters.

Meer over