Wordt geen droevige veertiger!

Hoe sceptisch hij de erfenis van de jaren zestig ook mag beschouwen, H.J. Schoo constateert dat er nog altijd geen alternatief is geformuleerd voor de ideologie van de '68'ers....

ZO'N twintig jaar geleden schreef ik, midden dertiger toen, mee aan een coververhaal voor de Haagse Post. Het heette omineus 'De gesel van de creativiteit' en ging over de gefnuikte revolutie der verwachtingen als gevolg van een 'krimpende' arbeidsmarkt. Kern van het epos waren de contrasterende lotgevallen van twee generaties: de 'droevige twintigers', ook wel de 'nachtploeg' genaamd, versus de 'dominante dertigers', de dagploeg.

Het beeld had een rembrandtesque clair-obscure: het duister dat een hele generatie aan het zicht onttrok versus het stralende licht dat de babyboomers omringde. Terwijl zij zich politiek en maatschappelijk settelden, hing de nachtploeg op de reservebank in kroeg en koffiehuis, in afwachting van de dingen die niet gingen komen. Als brave epigonen koesterden ze dezelfde waarden en aspiraties als hun voorgangers, maar hoegenaamd zonder kans op verwezenlijking. De 'brede' babyboomgeneratie had immers de beste plekjes veroverd en zou die nog jaren bezet houden. De auteurs eindigden hun wat larmoyante reportage met een oproep aan mede-dertigers om via herverdeling van arbeid ruimte te maken voor een jongere generatie.

We ontsnapten duidelijk niet aan de aanmatigende geest van ons cohort: welwillend articuleerden we andermans toestand, grootmoedig bevalen we meteen ook maar een oplossing aan. Wisten we ons destijds bespied en benijd door somberende (bijna)-twintigers als Caspar Janssen en Michaël Zeeman? En deden die twee toen al een blijvende afkeer op van die arrogante babyboomers, de dominante generatie, toen dertigers, nu vijftigers? Nog altijd onontkoombaar, alomtegenwoordig, zelfgenoegzaam.

Het onderliggende generatieschema, begin jaren negentig opgetuigd door de socioloog Becker, is mettertijd vertrouwd geworden, zozeer zelfs dat journalistiek en publiek het voor waar zijn gaan houden. Ook zijn we het generatiebegrip gaan reïficeren. We doen of het reëel bestaat, terwijl het niet meer dan een hulpstuk is waarmee we onze ervaringen betekenis proberen te geven. De stille oorlogsgeneratie, de saaie jaren vijftig en het hoogtij van de verzuiling, ze vormen een package-deal. Net als de heilige drie-eenheid: jaren zestig, sociaal-culturele revolutie, babyboomgeneratie. Die werd weer gevolgd door de verloren 'no future'-generatie en de stagnerende no nonsense-jaren tachtig, waarna de jaren negentig de tegenwoordige jeunesse dorée royale kansen boden dankzij de nieuwe welvaart en de ICT-revolutie.

De kern van Beckers schema zijn de mogelijkheden die elke nieuwe generatie op de arbeidsmarkt aantreft - de stand van economie en arbeidsmarkt stempelt een generatie. Maar ook demografie is een factor: de dominante generatie is simpelweg buitengewoon talrijk, een groteske uitstulping in de bevolkingspiramide. De schaduw die de protestgeneratie blijft werpen, heeft ook te maken met deze macht van hun getal. Andere generaties kunnen de babyboomers eenvoudig nooit over het hoofd zien.

Tijdperk-sjablonen spelen een eigen rol in de 'strijd' tussen generaties en de daarmee verbonden 'ideologische' rivaliteit. Hoewel de jaren vijftig economisch en cultureel expansief waren, staan ze al tientallen jaren te boek als suf en saai. Zoals de twintigste eeuw een inktzwarte negentiende eeuw nodig had om zich als modern en rationeel voor te doen, zo had de retoriek van de revolutionaire jaren zestig, ter rechtvaardiging van hun uitbundigheid, een benauwd voorafgaand decennium nodig.

Wat dat betreft is er hoop voor de verloren generatie, voor de weerspannige Zeeman en de gelaten Janssen: de jaren vijftig ondergaan een herwaardering. Niet door de opkomst van retro-stijlen, maar in serieus geschiedkundig werk, zoals onlangs het boek van Schuit en Taverne over 1950. Eerder al wees de Amerikaanse historicus Kennedy erop, in zijn Nieuw Babylon in aanbouw, dat de vernieuwing van de jaren zestig al in de jaren vijftig door de stille oorlogsgeneratie was voorbereid.

Dit revisionisme wijst op een wijkende dominantie van de protestgeneratie. Die diskwalificeerde een heel tijdperk, een generatie-ideologische vertekening die ten langen leste de nodige historische retouches krijgt. Misschien is de zelfbewuste stellingname à la Zeeman tegen de 'verworvenheden' van de jaren zestig wel het krachtigste symptoom van hun neergang. De verloren generatie is bovendien helemaal niet verloren, maar redelijk gearriveerd en druk doende overal plekken en zetels te veroveren of te behouden.

Is het aanstaande 'herfsttij der jaren zestig' een zegen of een treurig teken van restauratie? Het hangt ervan af wat we onder de erfenis van het tijdperk willen verstaan. Bij de veranderingen uit die jaren horen in ieder geval verregaande informalisering van omgangsvormen, de 'bohemisering' van de kleinburger, vulgarisering van elites en de vreugdeloze commercialisering van 'sex, drugs and rock-'n-roll', als 'liberale' vertaling van het libertair cultuurgoed van de jaren zestig.

Het is zonneklaar dat dit lang niet allemaal als 'verworvenheid' kan gelden, ook al willen jaren zestig-adepten geen enkele schaduwzijde zien. Enige restauratie is hier op haar plaats. Maar wie wil er af van onmiskenbare democratische en culturele winst?

Is het huidige massale, extern gedemocratiseerde onderwijssysteem werkelijk minder dan het oude elitestelsel, met z'n luttele procenten deelneming aan het hoger onderwijs en extreme uitval op alle niveaus?

Misschien was de oude universiteit beter (hoewel velen die haar goed hebben gekend dat bestrijden), maar zij sloot ook buiten. Nu hebben we hoger onderwijs dat veel meer mensen bereikt. Dat is beschavingswinst - én economische noodzaak. De breedte zit de top dwars, maar die uitruil heeft ook aantrekkelijke kanten. Kijk maar naar die jonge mensen die tegenwoordig redelijk enthousiast massaal hoger onderwijs volgen. Externe democratisering voegde voor velen een nieuwe, rijke levensfase aan de levensloop toe. Nederland als geheel is veel beter opgeleid en slimmer dan dertig jaar geleden.

Hoe 'fout' zijn de jaren zestig en de babyboomers dus eigenlijk? Oftewel: willen sceptici van dat tijdperk, onder wie ik mezelf in veel opzichten schaar, werkelijk een roll-back? Meer sociaal-economische ongelijkheid, een terugkeer naar engere, klasse- en standgebonden kaders van solidariteit en empathie?

Het ziet er niet naar uit, er is nog altijd geen serieuze tegenbeweging, de ideologie van de '68'ers blijft vrijwel onuitgedaagd. De post-babyboomers hebben geen ideologisch vuur ontstoken, geen alternatief voor 'zestig' geformuleerd om hun machtsaanspraken mee te schragen. Dat is een gemis, al was het maar omdat het publieke debat gebaat is bij tegenspraak. De afwezigheid daarvan, begrijpelijk in een ogenschijnlijk pragmatische wereld, valt de babyboomers echter niet te verwijten.

We kennen allemaal mensen die tot op gevorderde leeftijd hun ouders van alles en nog wat de schuld blijven geven. Dat heeft iets deerniswekkends. Misschien deugen of deugden die ouders niet, maar dat geteem, die koestering van grieven, die almachtsfantasie over vader of moeder, je belast er vooral je eigen leven mee. Niet doen dus, werp die ketens af en doe het beter dan zij!

Iets dergelijks geldt voor de generatiestrijd. Twintigers van toen, staakt die fixatie op de toenmalige dertigers en wordt geen droevige veertigers. Die verdomde vijftigers zijn trouwens veel te jong om jullie vader te zijn, het zijn slechts oudere broers (vrouwen spelen op een vreemde manier nauwelijks een rol in ons generatiedenken). Jullie angstige fantasieën gaan niet eens over patricide, maar over broedermoord. Psychologisch is dat van een totaal andere orde. Want wie zijn broer 'vermoordt', overdrachtelijk uiteraard, ambieert geen macht, rivaliseert slechts om ouderlijke aandacht. En dat is kinderwerk.

Generatiedenken heeft altijd iets steriels - vandaar dat het sixties-chauvinisme van babyboomers zo onuitstaanbaar is. Het is van zichzelf al postmodern en postideologisch, even nietszeggend als issues als 'privacy' en 'consumentisme'. De veertigers van nu zouden de samenleving en het publieke debat zeer verplichten door hun grieven niet als generatie-klacht te uiten, maar in universele termen: voor alle mensen en tijden.

De jaren zestig worden gelukkig steeds gewoner. Zij zullen snel hun functie als ijkpunt, cesuur en funderende mythe verliezen. Met de babyboomers gaan zij de vergetelheid in - nog maar een paar jaar en het kaf is verwaaid.

Meer over