Wordt er nog vernieuwende rock gemaakt?

Gijsbert Kamer

Vooruitgang in de kunst bestaat niet, weten we sinds Gerard Reve (‘bovendien, zoals het nu is is het al erg genoeg’). Maar er verandert natuurlijk wel het een en ander, ook in de popmuziek.

Iets wat me altijd heeft gefascineerd is wanneer experimentele rock, onbeluisterbaar wordt. Dat is natuurlijk iets heel subjectiefs. Zelfs de mooiste liedjes van The Beatles, zal door een notoir pop-hater als Maarten ’t Hart als afgrijselijke herrie worden afgeserveerd. Maar voor iemand als ik die gewend is veel popmuziek te horen, en er ook van houdt. Zowel van mooie liedjes als een stuk free-jazz op zijn tijd, kan het geen kwaad af en toe eens even af te tasten waar de extremiteiten liggen.

Zo kocht ik in december vorig jaar de lp ‘Hairdryer Peace’ van The Hospitals. Een punkband uit Portland, waarvan ik al een plaat kende uit 2003, voor het In The Red label. Ik was de band vergeten, maar kwam ze hoog tegen in enkele jaarlijstjes van mensen/media die ik serieus neem.

De plaat was alleen op vinyl in eigen beheer uitgebracht in een oplage (naar ik nu begreep) van 500 stuks. Ik wist werkelijk niet wat ik hoorde terwijl ik toch wel wat aan noise en punk gewend ben. Maar intigreren deed het me wel. Zo eens in de week zet ik ‘m op en ik begin er zelfs langzaam van te gaan houden. Het is een collage van korte stukken noise, feedback, stemmen en veel kabaal, een soundtrack van een naderende psychose. De punkgedachte: shockeren met muziek tot in het uiterste doorgevoerd.

Ik moet iedere keer denken aan de eerste keer dat ik Throbbing Gristle hoorde. Het was in 1979, ik was net gegrepen door Talking Heads, Wire en andere postpunk en had met de plaatverkoper in mijn Hilversum een gesprek over ‘moeilijke’ muziek. ‘Fear Of Music’ ‘154’ en de platen van Pere Ubu, die trok hij nog wel, maar er kwamen steeds meer elpee’s de winkel binnen waar hij niets van begreep. ‘Dat is toch geen muziek meer.’

Het ergste was een plaat van Throbbing Gristle (de 2e geloof als ik het me goed herinner). Ik mocht ‘m horen en als ik hem helemaal kon uitzitten, dan kreeg ik een gevulde koek. Die waren van de banketbakker even verderop, en erg lekker.

Maar na tien minuten gaf ik het op. Dit was echt niet om aan te horen. Wie koopt dat nou? En vooral, waarom maakt iemand zo iets?

Inmiddels ken ik de merites van Throbbing Gristle, en weet ik dat kunst niet altijd gezellig hoeft te zijn. Zo is ‘Wij’ van Elvis Peeters ook geen leuk boek.

Ik heb ook goed herinneringen aan platen die niet veel later ik kocht maar waar ik maar niet aan kon wennen: ‘Metal Box’ van PIL en ‘Doc At The Radar Station’ van Captain Beefheart. Ik vond dat ik er goed aan deed die goed te leren kennen, en daar heb ik veel aan gehad.

Zo ben ik met een zekere regelmaat muziek blijven proberen waar ik op het eerste gehoor niks mee kon, en altijd nieuwsgierig geweest naar wat voor ‘extreem’ door ging.

Heavy metal heeft me nooit iets gedaan, maar de extreme variant van grindcore met bands als Napalm Death en Carcass vond ik altijd erg leuk, vooral live.

Extremer dan ‘Hairdryer Peace’ ben ik het de laatste tijd niet tegengekomen. De plaat roept dezelfde visioenen op als het ‘holocaust’- deel tijdens ‘You Made Me Realise’ zoals My Bloody Valentine dat live speelde.

Maar een stukje dromerige gitaarlyriek (‘Dream Damage’) is de band ook niet vreemd. Wanneer je een plaat als deze eenmaal in je hebt opgeslagen klinkt alles gewoontjes, zelfs Dirty Projectors.

Dat is de andere band waar ik het in dit verband nog even over wil hebben. Ze komen uit Brooklyn en gelden naast Grizzly Bear als het hipste van het hipste dat de New Yorkse pop nu te bieden heeft.

Ook ‘Bitte Orca’ de vijfde plaat van Dirty Projectors is geen gemakkelijk te behappen liedjes-plaat, maar ik raak er de laatste dagen niet op uitgeluisterd.

Hun vorige plaat ‘Rise Above’ vond ik vooral leuk op papier: band speelt punkklassieker ‘Damaged’ van Black Flag uit 1981 na, zoals ze de plaat herinneren. Los van Rise Above zelf doen de nummers bewerkt door Dirty Projectors me veel te gekunsteld aan.

Ook alles aan ‘Bitte Orca’ klinkt gekunsteld, maar op deze plaat werkt het wel. Het krassende gitaargeluid, de afro-beat, de rare zangkoortjes en de neurotische stem van David Longstreth voeren je mee naar onbekende bestemmingen, waar het steeds aardiger toeven is.

Echt een plaat om iedere keer weer nieuwe dingen aan te ontdekken. Dirty Projectors doen geen enkele moeite de luisteraar tegemoet te komen. Iedere behaagzucht is hen vreemd.

Dit is wel het soort plaat dat bewijst dat er ook in 2009 nog altijd veel spannends gebeurt en misschien zelfs wel muziek gemaakt wordt die echt vernieuwend is.

Iemand die een plaat kan noemen vergelijkbaar aan ‘Hairdryer Peace’ (sinds kort ook op cd leverbaar op het mij onbekende Meds-label) of ‘Bitte Orca’? Roept u maar.

Meer over