Nieuwsinvesteringsfonds

‘Wopke-Wiebes-fonds’ flirt met de toekomst: op korte termijn al miljardenimpuls

Het kabinet trekt 20 miljard uit voor een investeringsfonds dat projecten moet steunen op drie terreinen: fysieke infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling en onderwijs. Voorwaarde is wel dat de projecten door niemand anders gefinancierd kunnen worden.

Eric Wiebes en Wopke Hoekstra willen met hun groeifonds de economie ‘toekomstbestendig’ maken.Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

Het plan zingt al meer dan een jaar rond; nu is het dan eindelijk werkelijkheid. Maandag hielden ministers Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat) en Wopke Hoekstra (Financiën) hun langverbeide investeringsfonds ten doop. Het kabinet trekt daar in eerste instantie 20 miljard euro voor uit in vijf tranches van 4 miljard euro per jaar.

Een onafhankelijke commissie van tien deskundigen zal de projectvoorstellen beoordelen die bedrijven, lagere overheden en kennisinstituten kunnen indienen voor dit Nationale Groeifonds.

Het fonds is bedoeld voor éénmalige investeringen die de groeicapaciteit van de Nederlandse economie structureel vergroten, maar commercieel gezien niet aantrekkelijk zijn. Het gaat dan om projecten op drie terreinen: fysieke infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling en onderwijs. Het Nationaal Groeifonds dient een ander doel dan het investeringsfonds Invest-NL, benadrukten Hoekstra en Wiebes tijdens de presentatie in het wetenschaps­museum Nemo in Amsterdam. Invest-NL, dat ‘slechts’ 1,7 miljard euro te vergeven heeft, verstrekt leningen aan bedrijven voor riskante, innovatieve projecten. Die leningen moeten de bedrijven met rente terugbetalen. Ook financiert Invest-NL maximaal 50 procent van de projectkosten; de rest moet uit ‘de markt’ komen.

De 20 miljard euro uit het Nationaal Groeifonds zijn giften, geen leningen. Rendementseisen zijn er niet. De commissie beoordeelt de ingediende projectvoorstellen aan de hand van een aantal criteria. Zo mag de subsidieaanvraag geen project betreffen dat zonder het Groeifonds ook wel zou doorgaan, maar dan gefinancierd uit andere bronnen. Dat is moeilijk te beoordelen, leert de ervaring uit het verleden. Hoekstra en Wiebes refereren in hun Kamerbrief aan het Fonds Economische Structuurversterking (FES), dat tussen 1995 en 2010 bestond. Het FES had hetzelfde doel als het Groeifonds van Wiebes en Hoekstra en werd gevuld met een deel van de aardgasbaten.

Het FES schoot zijn doel grotendeels voorbij, leerden evaluaties achteraf. Het fonds werd een speelbal van politieke belangen en de doelstelling werd steeds verder opgerekt, waardoor er ook projecten onder vielen die eigenlijk uit de reguliere rijksbegroting gefinancierd hadden moeten worden. De Betuwelijn, die met FES-geld werd aangelegd, was er zonder dat fonds ook wel gekomen, concludeerde onder meer de Algemene Rekenkamer achteraf.

Geld zoekt project-effect

Hoekstra en Wiebes zijn zich bewust van het ‘geld zoekt project’-effect dat het FES uiteindelijk fataal werd, schrijven ze in hun brief. Eén waarborg om dat tegen te gaan is dat Hoekstra de benodigde miljarden pas gaat lenen als er goedgekeurde projecten zijn, en niet andersom.

Een andere bescherming tegen politiek opportunisme is dat een onafhankelijke commissie de projectvoorstellen beoordeelt. Dat moet voorkomen dat het geld wordt uitgegeven aan politieke kortetermijnwensen en dat het fonds geregeerd wordt door politiek handjeklap in de Tweede Kamer (‘als jouw fractie nou mijn lievelingsproject steunt, dan steunen wij het jouwe’). Het parlement moet instemmen met de initiële uitgave van 20 miljard euro en de verdeling over de drie ‘doelterreinen’, maar zal niet opnieuw toestemming hoeven te verlenen voor elk goedgekeurd project.

Toch heeft de politiek uiteindelijk het laatste woord, want het kabinet beslist wél over elk afzonderlijk project. De beoordelingscommissie adviseert, het kabinet hakt de knoop door. Leidraad daarbij is dat het kabinet een projectvoorstel dat de commissie heeft afgekeurd niet tóch kan financieren. Onder de leden van de beoordelingscommissie zijn onder anderen oud-minister Jeroen Dijsselbloem, ASML-bestuursvoorzitter Peter Wennink, oud-bestuursvoorzitter van DSM Feike Sijbesma, AFM-voorzitter Laura van Geest, start-upambassadeur prins Constantijn van Oranje en ING-hoofdeconoom Marieke Blom.

Het Groeifonds drukt niet op de rijksbegroting. Het kabinet zal de kosten ten laste brengen van de staatsschuld. Met dank aan de extreem lage rente kost dat de schatkist in eerste instantie niets extra. De Nederlandse overheid krijgt momenteel juist geld toe als zij nieuwe staatsleningen uitschrijft. Het is niet zeker hoelang deze uitermate gunstige situatie zal voortbestaan. Op advies van hun ambtenaren hebben Wiebes en Hoekstra daarom hun eerdere plan om 100 miljard euro te lenen over een periode van 25 jaar laten varen. Het is nog steeds hun intentie om het Groeifonds na vijf jaar te continueren, maar als de rente bijvoorbeeld flink stijgt kan een volgend kabinet anders beslissen.

Geesteskind

Aan wiens brein het fonds-idee is ontsproten, is nog steeds een goed bewaard geheim. De ene Binnenhof-insider bezweert dat het minister Hoekstra van Financiën was, de ander meent zeker te weten dat Eric Wiebes van Economische Zaken de geestelijk vader is. Het pleit werd beslecht door beide ministers de eer te gunnen: in parlementaire kringen ging het fonds daarna over de tong als het ‘Wopke-Wiebes-fonds’.

Daarna bleef het lang stil. De corona-uitbraak vertraagde de presentatie van het investeringsfonds. Nu de staatsschuld door alle crisismaatregelen weer hard oploopt, rees ook de vraag of er nog wel geld voor was. Volgens het Centraal Planbureau stevent het kabinet dit jaar op af op een begrotingstekort van 7,1 procent.

Het Groeifonds past echter perfect in het mantra dat tegenwoordig overal op het Binnenhof klinkt: ‘We moeten ons uit de crisis investeren.’ Aan belangstelling voor dit ‘gratis geld’ zal het niet ontbreken. Projecten die vrijwel zeker een kans zullen wagen zijn de IJmeerverbinding tussen Amsterdam en Almere (kosten: 2 miljard euro), het doortrekken van de Noord/Zuid-lijn naar Schiphol en Hoofddorp (3 miljard euro), de Lelylijn van Lelystad naar Groningen (5 miljard euro) en – in de innovatie-categorie – een ondergrondse waterkrachtcentrale in Limburg (2 miljard euro). Met zulke dure projecten zal het Groeifonds snel zijn kruit verschieten, maar goedkopere plannen maken ook een kans: de minimale fondsinvestering bedraagt 30 miljoen euro per project.

Meer over