Woorden die ik kende van zienGraciliano Ramos beschrijft een wereld zonder taal

Hoeveel woorden - actief - heeft het gemiddelde personage tot zijn beschikking in films als Heat, Casino of Pulp Fiction?...

Ongetwijfeld is dat het meest aangrijpende aspect van de wereld die in dat soort films wordt opgeroepen: dat achter al die hoofden zelden een gedachte wordt voltooid. De conversatie wordt gereduceerd tot een karikatuur. Geluisterd wordt er niet. Het Sprachraum is opgebouwd uit blinde muren. Uitwisseling van ideeën komt - voor zover daarvan al sprake is - slechts tot stand nadat de sprekers hun toevlucht hebben gekozen tot wat de Amerikaanse taalkundige Mark Aronoff ooit heeft beschreven als de fucking insertion rule. En dat taal ook nog voor iets anders zou kunnen worden gebruikt - er is in zo'n film niets dat daar nog aan herinnert. Je moet er ook niet aan denken wat er zou gebeuren als dat soort wezens zou worden gevraagd een boek te schrijven. Dat is niet alleen een logische of een conceptuele, het is ook een taalkundige onmogelijkheid.

Het uitzonderlijke van de Braziliaanse schrijver Graciliano Ramos (1892-1953) bestaat daarin dat hij gemeend heeft die onmogelijkheid te kunnen weerleggen. In de roman Sao Bernardo, uit 1934, heeft hij het equivalent ontworpen van zo'n moderne filmmisdadiger, die in weerwil van al zijn verbale onvermogen greep tracht te krijgen op zijn eigen levensgeschiedenis. Het kan niet en het kan wel, het wordt wel een boek of het wordt geen boek - ontelbare jaren voor Michel Butor of Italo Calvino heeft Ramos laten zien dat men hinkend op die twee uitersten een roman kan schrijven.

Paulo Honório is de eigenaar van het landgoed Sao Bernardo, een fazenda die zich bevindt op de grens tussen de bewoonde wereld en het eindeloze binnenland, de sertao, van Brazilië. Dat landgoed heeft hij verworven door list en bedrog, door afpersing en geweld. De wijze waarop hij het bestiert doet vermoeden dat hij bereid is het kleinste vergrijp of de onbenulligste tegenwerking te beantwoorden met de kogel. Intellectueel gesproken gaat Honório's belangstelling slechts uit naar landbouw en veeteelt. Elke gedachte aan een morele imperatief is hem vreemd.

Hij is vijftig als hij besluit zijn herinneringen op schrift te stellen. Aanvankelijk meent hij nog dat hij daarvoor een paar deskundigen moet uitnodigen om hem te helpen, maar al in hoofdstuk twee neemt hij zich voor het hele varken eigenhandig te wassen. Hij gooit de stilist, de typograaf, de zedenkundige en de kenner der interpunctie de deur uit, en zet zich aan een project waarvan hij niet kan voorspellen 'of het van enig nut zal zijn, direct of indirect'.

Het huiveringwekkende van Honório's natuur schuilt in die strikt utilitaire benadering van de werkelijkheid. Problemen zijn er niet om opgelost te worden, ze worden enkel geëlimineerd. Tegenstanders zijn er om te bestelen. Handelingen ontlenen hun betekenis aan de functie die ze kunnen vervullen in het eindeloze reliëf waarin wraak wordt gevolgd door weerwraak en waarin geen middel onbeproefd wordt gelaten. Waarde wordt afgemeten aan de schade die Honório bij anderen veroorzaakt. De problemen ontstaan pas wanneer dit 'natuurlijke' systeem wordt geconfronteerd met het verhevener systeem van de taal of - om een nog wat ingewikkelder begrip te gebruiken - van de cultuur.

Op een dag concludeert Honório dat zijn maatschappelijke status inmiddels een zodanige omvang heeft bereikt dat er nageslacht kan worden verwekt. In een voor de lezer buitengewoon onwaarschijnlijke, maar voor de hoofdpersoon volstrekt logische passage worden de belangen tegen elkaar afgewogen, en wordt besloten een jonge onderwijzeres, die stukken schrijft in een lokale krant, ten huwelijk te vragen. Dat schrijven is enigszins verdacht, maar Honório heeft zich, zoals hij het zelf uitdrukt, 'tevreden gesteld met haar gezicht en met een paar oppervlakkige brokken informatie'.

Wat hij zich op dat ogenblik nog niet realiseert, maar wat vrijwel onmiddellijk aan de oppervlakte komt zodra het huwelijk is voltrokken, zijn de monsterlijke aanvallen van jaloezie jegens zijn vrouw, Madalena, waaraan Honório wordt blootgesteld. De achterdocht groeit met de bladzijde. Wat aanvankelijk nog met verwondering wordt waargenomen, bijvoorbeeld de mate waarin Madalena begaan is met het lot van de boeren die bij Honório in dienst zijn, is binnen de kortste keren het object van een krankzinnig makende verdenking, die nauwelijks nog anders dan in beschuldigende taal kan worden geformuleerd.

Het scherpst komen de verschillen tot uiting in het feit dat Madalena doorgaat met schrijven, brieven, stukken voor de krant, terwijl haar echtgenoot daar letterlijk met zijn verstand niet bij kan. Hij weet slechts te reageren door zich steeds bruter te gedragen. Zelfs in zijn reconstructie is hij nauwelijks in staat de verschillen anders dan in botte termen van nuttigheid te bespreken:

'Inderdaad, waarvoor? Wat ik zei was eenvoudig, zonder omwegen, en vergeefs zocht ik in mijn vrouw precisie en duidelijkheid. De woordenschat van haar gebruiken, vrijwel onbegrensd en vol valstrikken, dat zou ik nooit kunnen. En wanneer zij probeerde zich uit te drukken in mijn beperkte, ruige taal, dan werden de meest onschuldige en aardse uitdrukkingen voor mij als slangen: ze kronkelden, beten en hadden een giftige betekenis.'

Een bladzijde verderop loopt Honório door de tuin en vindt een stuk papier dat kennelijk uit het raam is gewaaid: 'Eerlijk gezegd begreep ik er niets van. Ik kwam verschillende woorden tegen die ik niet kende, andere die ik kende van zien, maar alles zo rommelig gerangschikt dat het moeilijk was er iets van te maken.'

'Woorden die ik kende van zien' - een efficiëntere formule om de verschillen duidelijk te maken is er niet. Ook niet, zoals later zal blijken, als Honório zich heeft gerealiseerd dat het papier een onderdeel vormt van de afscheidsbrief die Madalena hem schrijft als zij heeft besloten te sterven. Wat is de rechtvaardiging van een volkomen immoreel bestaan, en hoe ziet deze eruit in de woorden van iemand die nauwelijks woorden tot zijn beschikking heeft? Is zoiets literair mogelijk?

Het antwoord luidt uiteraard ontkennend en tegelijkertijd is dat voor Graciliano Ramos de aansporing geweest het onmogelijke ten uitvoer te leggen: het boek te schrijven van iemand die niet schrijven kan. Het resultaat is overrompelend.

Lang leve August Willemsen, die opnieuw een ontdekking heeft gedaan tot nut van het Nederlandse volk. Een paar jaar geleden schreef ik dat voor hem maar eens een monument moest worden opgericht. De tijd begint te dringen.

Graciliano Ramos: Sao Bernardo. Uit het Portugees vertaald door August Willemsen. Coppens & Frenks, ¿ 49,50.

Meer over