Wonen in een huis van bergen en sterren

Het bestaan van de nomaden in het West-Iraanse Zagrosgebergte is hard. ‘Maar je krijgt ons hier met nog geen zes paarden weg.’..

Overal klinkt het stromen van water. Het gletsjerijs op de witte bergtoppen smelt, beekjes stromen onzichtbaar langs kale berghellingen, af en toe stort een waterval de diepte in. Het balken van een ezel weerkaatst tegen de rotswanden, de stoffige gravelweg knispert onder de banden van de jeep. Op een groene vlakte stopt de chauffeur en spreidt hij een deken uit in het gras. ‘En nu wachten we tot ze naar beneden komen’, zegt hij, wijzend op een nomadenkamp, zo’n vijftig meter hoger, op de bergtop.

Sebastiaan Straten, een Nederlandse dertiger, is vijf jaar geleden naar Iran verhuisd en daar een reisbureau begonnen. Hij neemt toeristen onder meer mee het Zagrosgebergte in, aan de westkant van Iran bij de Perzische Golf. Hier is geen bebouwing, hier is nauwelijks toerisme, hier zijn de bergvolken niet door geld en giften verpest. Hier bouwen de nomaden hun tenten en weiden ze hun vee, al eeuwenlang. Hier worden vreemdelingen verbaasd aangestaard.

Vier honden stormen blaffend en grommend de heuvel af. Ze blijven aan de overkant van de bergbeek. ‘Nomaden zijn nieuwsgierig’, zegt Sebastiaan. ‘We moeten geduld hebben.’ Na een uur komen twee kleurrijk uitgedoste vrouwen op teenslippers de berg af. Hurkend vullen ze jerrycans en een leren zak met smeltwater uit de beek. Sebastiaan loopt naar hen toe en legt in vloeiend Perzisch uit dat we onze tenten graag twee nachten in hun kamp zouden opzetten. De vrouwen overleggen, keren terug naar boven en sturen even later een ezel naar beneden met een jongen van een jaar of 12 op zijn rug. Een half uur later lopen we met z’n vieren achter de jongen en de ezel, die met onze tenten, rugzakken en voorraad is bepakt, mee naar boven.

‘Salaam’, groet een vrouw met gitzwart haar. Ze heeft een kleed op het gras uitgespreid en gebaart dat we welkom zijn in haar kamp. Drie vrouwen en vijf kinderen die ’s zomers geen onderwijs krijgen, kijken verbaasd toe als we twee moderne tenten opzetten, die in niets lijken op het geitenharen afdak boven hun stellage van rotsblokken en sprokkelhout. De schemer valt in, de schaduwen worden langer, uit het dal achter de berg komt een groep mannen met een enorme kudde schapen met bellen om de nek rinkelend naar boven.

Bakhtiari
‘Salaam!’, groet de oudste man. Als een van de nomadenvrouwen – zijn echtgenote – uitlegt wat we komen doen, rukt hij het kleed van het gras en gebiedt hij haar een mooier, groter kleed voor de gasten uit te rollen en thee te maken. Hij stelt zich voor als Malek Mohammed Azizi en behoort met zijn familie tot de Bakhtiari, een stam van naar schatting 150 duizend nomaden in het Zagrosgebergte, dat zo’n 67 duizend vierkante kilometer omvat, een gebied ter grootte van Nederland en België samen.

De nomaden leven van de productie van vlees en zuivel, en weiden hun vee ’s zomers op hoge bergplateaus en ’s winters in het laagland van de provincie Khuzestan, ten zuiden van de bergen. Zeker 15 procent van de 66 miljoen Iraniërs wisselt met de seizoenen van verblijfplaats. Om groene weiden te bereiken steken de Bakhtiari tweemaal per jaar bergpassen boven drieduizend meter over. Hieraan danken ze de naam dat ze wereldwijd van alle nomaden de spectaculairste migratie volbrengen.

Malek Mohammed is met het vee te voet in twee weken van zijn huis in Khuzestan hiernaartoe gekomen, hun hele huisraad op drie paarden en een ezel gepakt. Trots toont de oude man zijn jachtgeweer, een handgemaakte Bernot van anderhalve meter lang. Hij schiet ermee op gevogelte, en verdedigt er ’s nachts zijn jongvee en kippen mee tegen de wolven. Met zijn blote hand haalt hij een gloeiend kooltje uit het vuur, waarmee hij zijn pijp aansteekt, en zegt: ‘In de zomermaanden zijn de bergen en de sterren mijn huis.’

De familie, zo’n twaalf mensen, eet in de nomadentent, wij verwarmen bonen uit blik bij het kleed dat twintig meter verderop is uitgespreid. Een van de zoons komt af en toe langs en brengt ongevraagd een stuk brood met schapenboter, een lantaarn met een kaars, een pannetje met een warm, kruidig prutje van tomaten. Sebastiaan geeft hem stukken fruit mee terug. We doen de afwas en poetsen onze tanden met water uit de beek en rollen in de tentjes onze slaapzakken uit. Nazbagum, Maleks echtgenote, brengt extra dekens tegen de nachtelijke kou. Op de vraag waar we naar de wc kunnen, antwoordt ze met een weids armgebaar: ‘Overal.’

Brood bakken
’s Nachts klinkt het gerinkel van de schapenbellen en het blaffen van de honden. Nog voordat de zon over de bergtoppen kiert, trekken de mannen alweer met hun veestapel over de bergkam. De vrouwen nodigen ons uit in hun tent, waar brood wordt gebakken. Het is er kleurrijk; de wanden bestaan uit aaneengenaaide lappen van verschillende stoffen. De vloer is bezaaid met een dikke laag tapijten. Achter een muurtje van gestapelde rotsblokken staat een houten wieg met een slapende baby. Erboven, aan een dwarslatje, hangen tientallen kleine schapenbellen aan gevlochten touwtjes. Uit een cassetterecorder op batterijen klinkt Iraanse doedelzakmuziek.

Officieel zijn ze moslim, de Bakhtiari. Maar Nazbagum en haar man bidden niet, zoals de meeste nomaden dat niet doen. Ze zijn animistisch, ze geloven meer in de heiligheid van de bergen dan in de Koran. Hierachter, wijst ze, piekt de Yellow Mountain, een bergketen met eeuwige sneeuw – de gletsjers zien geel van het stof. In tegenstelling tot de ‘White Mountains’ met verse sneeuw verwerkt ze ‘haar’ berg graag in de motieven van de tapijten die ze knoopt en die ze in de winter, als de temperatuur in Khuzestan is gezakt tot een comfortabele 25 graden, op de markt in haar dorp hoopt te verkopen.

De vrouwen spinnen wol met een houten tol, bakken brood, karnen schapenmelk, sprokkelen hout voor het vuur en zijn de hele dag bezig met de voedselvoorziening. We helpen ze, ze lachen om onze onhandigheden. Diezelfde avond worden we uitgenodigd om met de familie mee te eten. Zodra de lucht paars en oranje kleurt, maken de dochters Azizi een kampvuur. ‘Het leven van de nomaden is hard’, erkent Malek Mohammed. ‘Veel mannen stappen uit het traditionele leven en trekken naar de stad, waar ze werk zoeken in de olie- en gasindustrie.’ Lachend: ‘Maar je krijgt ons hier met nog geen zes paarden weg.’

Hoe er te komen, te betalen en je er te gedragen
Reizen

Mahan Airlines (www.mahanair.nl) vliegt vanaf Düsseldorf rechtstreeks naar Imam Khomeini Airport in Teheran. Hou er rekening mee dat de afstanden in Iran fors zijn; heel Iran beslaat een gebied ter grootte van de Waddeneilanden tot Zuid-Spanje. Vanaf Teheran rij je in vijf uur naar Esfahan, en vanaf daar nog eens een halve dag naar het nomadengebied in het westen.

Iran Silk Road (www.iransilkroad.nl) verzorgt meerdaagse trips naar de nomaden in het Zagrosgebergte. Het bureau regelt ook het verplichte visum, waarvoor een uitnodiging uit Iran noodzakelijk is, en een Nederlands- of Engelstalige gids. De Bakhtiari zijn semi-nomaden; ze zijn in de bergen te bezoeken van begin juni t/m september.

Contant geld

Vanwege de Amerikaanse boycot is het in Iran nergens mogelijk met pinpas, creditcard of travellercheques te betalen. Neem voldoende contant geld (euro’s) mee, dat je in Iran inwisselt voor de rial. Wissel je geld bij vertrek op de luchthaven weer om; buiten Iran wordt de rial vrijwel nergens geaccepteerd.

Voorschriften

Voor vrouwen is een hoofddoek verplicht, en hun ‘manteau’ (trenchcoat, lange blouse of jurkje over een broek) dient ruim over de billen te vallen.

Blote benen zijn zowel voor vrouwen als voor mannen verboden, en korte mouwen worden in islamitische heiligdommen niet op prijs gesteld.

Drink in Iran geen alcohol in het openbaar. Drugs zijn streng verboden. Wie foto’s maakt van regeringsgebouwen, loopt de kans dat zijn camera in beslag wordt genomen of de foto’s worden vernietigd.

Meer over