Wonderkind uit Amsterdam

Veel biografieën worden pas interessant als de beschrevene het hoogtepunt van zijn of haar loopbaan nadert en zo het alledaagse ontstijgt....

Jan Joost Lindner

Van deze biografie, geschreven door de historici Jan de Bruijn en Paul E. Werkman, is het eerste deel verschenen (Verloren; fl 43,-). Pas op de voorlaatste bladzijde van dit eerste deel wordt Ruppert CNV-voorzitter en begint zijn opvallende carriëre. Het is dan zomer 1947.

Ruppert, geboren in 1911 in Amsterdam, was bepaald niet alledaags en zijn loopbaan voor 1947 evenmin. De auteurs geven een aardige en vakkundige beschrijving, die nieuwsgierig doet uitzien naar het vervolg. De sfeer van de jaren dertig wordt goed getroffen. De tuindersknecht en latere werkloze spant zich in voor de Nederlandse Christelijke Landarbeidersbond (NCLB). Als 18-jarige moet hij plotseling en onvoorbereid spreken namens de bond. Het licht valt uit en er rent een grote hond rond de spreker. Bij een volgende, wél voorbereide spreekbeurt, grist een bondsbestuurder Rupperts aantekeningen uit zijn vingers.

Marinus Ruppert was een beetje een wonderkind. Hij was slechts enkele weken werkloos, begin jaren dertig. De NCLB maakte de 20-jarige 'vrijgestelde' en meteen landelijk bestuurslid. In de trein ontwikkelde hij zich tot een intellectueel die later (in de oorlog) zou polemiseren met de grote gereformeerde denker H. Dooyeweerd. Interessant is ook zijn strijd - met mislukte stakingen - tegen (CHU-)boeren die de lonen van landarbeiders verlaagden met zo'n 16 procent, zonder overleg met wie dan ook.

In de oorlog moest Ruppert illegaal verder met NCLB en CNV, want de gelijkgeschakelde NVV had met hulp van de bezetter de christelijke bonden opgeslokt. Des te verbazingwekkender was vlak na de oorlog de druk van predikanten en vooruitstrevende protestanten om geen christelijke bonden te laten herleven, maar aansluiting bij NVV en PvdA te zoeken.

Ruppert, overgaand naar het CNV, verzette zich daartegen, maar wilde ook niet dat de christelijke vakbeweging te veel op de hand was van de nog zeer conservatieve ARP van Jan Schouten. Voor de oorlog was Ruppert al niet erg onder de indruk van Colijn, die geen eerlijk sociaal verhaal uit zijn mond kreeg.

In de CNV-top brak een richtingenstrijd uit, waarbij Ruppert als jonge vooruitstrevende een natuurlijke tegenkandidaat werd voor de AR-gezinde leiders. De strijd liep hoog op en werd zeer persoonlijk, maar toch werd Ruppert in juli 1947 met klein verschil gekozen als verbondsvoorzitter. Hij aanvaardde deze functie na enige dagen van fikse twijfel. Een curieuze finale van een sympathiek en niet al te pretentieus boek.

Meer over