Wonder van hel en verdoemenis

De weerzin tegen televisie was groot, de eerste jaren dat het medium vorm kreeg. Er was angst voor zondigheid en vervlakking....

Maud Effting Jean-Pierre Geelen

MET evenveel recht zou je het vijftigjarig jubileum van de Nederlandse televisie tien, vijftien jaar eerder kunnen plaatsen. Het is maar net wat je de eerste uitzending noemt.

Tussen 1936 en 1939 verspreiddde amateur F. Kerkhof in Eindhoven al bewegende beelden. Op zondagmorgen, wanneer het elektriciteitsnet zo min mogelijk werd belast door wasmachines en andere apparatuur, zond hij beelden uit die door een negental geestverwanten te zien waren in Eindhoven, Apeldoorn, Almelo en Deventer.

Overeenkomstig de tijdgeest was het aanbod volstrekt onschuldig: een zangklasje, een Frans cabaret. De beeldkwaliteit stelde uiteraard ook nog niet veel voor: een tv-schermpje besloeg drie bij zeven centimeter, waarop dertig beeldlijnen het totale beeld vormden.

Ondertussen zat ook Philips niet stil. Aanvankelijk zag het bedrijf weinig in de ontwikkeling van televisie. Voor de oorlog had het elektronicaconcern zijn zinnen gezet op een veel goedkopere filmprojector à driehonderd gulden, waarbij de consument een abonnement werd aangeboden op een wekelijks af te halen speelfilm.

Weliswaar presenteerde Philips in 1938 al op de Voorjaarsbeurs in Utrecht voor het eerst een televisietoestel, maar dat was vooral een poging om de naamsbekendheid te vergroten van Philips als radioverkoper. Na de oorlog was Philips van gedachten veranderd: televisie was een mooi werkgelegenheidsproject in het kader van de wederopbouw.

Terwijl een staatscommissie de komst van televisie voorbereidde, kreeg Philips een licentie om twee jaar lang Philips Experimentele Televisie (P.E.T.) te maken. De grote man achter het project was regisseur Erik de Vries, algemeen beschouwd als de grondlegger van de Nederlandse televisie. Vijfhonderd Philips-medewerkers kregen een toestel thuis. Vanaf 18 maart 1948 konden zij elke dinsdagavond kijken naar een interview over iemands hobby of beroep, er waren journaals, een documentaire of een korte beschouwing. De Eindhovense studio was zo heet, dat een bloemenhandelaar die over zijn vak kwam vertellen, tijdens de repetities tot zes maal toe zijn spontaan verlepte waar zou hebben moeten verversen.

Donderdag was de avond voor artiesten van naam, zoals Teddy Scholten. De zaterdag was de dag voor een film.

De Vries nam in 1951 zijn intrek in Bussum, waar een oud kerkje was omgebouwd tot Studio Irene - een zaaltje van honderd vierkante meter met kwiklampen en tl-buizen als verlichting. En spoedig was er die eerste officiële uitzending, die dus niet de eerste uitzending was. Maar toch een mijlpaal in de geschiedenis. Veel getuigen zijn er niet, want heel Nederland telde slechts vierhonderd toestellen.

De staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, mr. J.M.L.Th. Cals, richtte zich 'met enige schroom' tot de kijkers, 'als eerste in een onafzienbare rij redenaars, kunstenaars en andere figuren die van dit ogenblik af aan door de NTS via de aether u voor ogen worden gebracht'. Na een reeks toespraken volgde De Toverspiegel, een volgens sommigen nogal stuntelig toneelstukje, met Ank van der Moer, Hetty Blok en Albert van Dalsum.

Werd de eerste uitzending nog verzorgd door de gezamenlijke omroepen onder de vlag van de Nederlandse Televisie Stichting, al spoedig kregen omroepen hun eigen avond. Op 5 oktober was het de beurt aan de Avro, waar omroepster Netty Rosenfeld een documentaire over de Hooge Veluwe bezorgde. Verder die dagen: cabaret van Chiel de Boer, Willy van Hemert regisseerde voor de VARA een poppentheater, omroepster Mies Bouwman kondigde voor de KRO een demonstratie pottenbakken aan, evenals een dansje voor doofstommen uit Sint Michelsgestel.

De ontvangst in die tijd kan niet bovenmatig zijn geweest. De zendmast van Lopik bediende vooral de westelijke grote steden, maar in oostelijke en zuidelijke richting liet de ontvangst te wensen over.

Lang niet iedereen reageerde enthousiast. Integendeel: gezien de weerzin tegen het nieuwe medium mag het een wonder heten dat het ooit nog van de grond is gekomen. Omroepvoorzitters waren vooraf al sceptisch en vreesden de weg op te gaan van Amerika, waar de televisie al bestond. 'Televisie brengt hel en verdoemenis, kijk maar naar de VS', was hier het credo. Geleerden waarschuwden dat beelduitzendingen inhoudsloze mensen met een laag-bij-de-gronds wereldbeeld zouden kweken.

Directeur Speet van de KRO wilde in 1948 het tv-avontuur aangaan, 'maar in de allergeringste mate'. Zijn voornaamste overweging was dat er kapers op de kust waren, en dat hij bang was de boot te missen.

Slechts Het Vrije Volk was opgetogen in die dagen. Na een bezoek aan de experimentele televisie in Eindhoven schreef de krant: 'Toen het televisiebeeld van de lieftallige omroepster, Beb Schaeffer, ons vriendelijk het einde aankondigde, hebben wij even de ogen uitgewreven. Menselijke geest, hoe hoog is uw vlucht en hoe wijd is het terrein van uw mogelijkheden?'

Andere kranten bleven uiterst negatief. De Telegraaf had aan zeven maanden officiële televisie genoeg om te conluderen dat het tv-experiment 'volkomen mislukt' was. De verkoop van tv-toestellen gaf volgens de krant wel aan dat niemand op het medium zat te wachten. 'Er helpt geen lieve moeder aan: het publiek prefereert thans de bioscoop, omdat dat goedkoper is en meer afwisseling biedt, en de radio, omdat deze een ruime keus geeft uit buitenlandse stations en 17 uur per etmaal waar voor haar geld levert.'

In 1956 meldden de kranten dat Kamerleden, die over belangrijke televisievraagstukken moesten beslissen, hun van rijkswege verstrekte toestellen weer uit hun huiskamer hadden laten weghalen. 'Bepaalde regeringskringen blijken de televisie vijf jaar geleden als een nuttige werkverschaffing te hebben beschouwd en vinden deze werkverschaffing bij de huidige conjunctuur met de dag overbodiger.'

In dat klimaat waren televisiemakers nauwelijks te vinden. De omroepwereld bestond uit louter radiomensen, die neerkeken op het nieuwe medium. Een overstap van radio naar tv werd als onfatsoenlijk gezien, tv-collega's die bij een omroep kwamen werken, werden niet eens voorgesteld aan de zittende radiomensen. 'Televisie, dat is mannen op hoge fietsen', zei VARA-radioman Ary van Nierop. Veel vertoon, maar het stelde weinig voor.

Wat er na 2 oktober 1951 volgde is bekend. De omroepen probeerden al snel hun eigen belangen veilig te stellen. Ze stortten zich op de te machtige NTS. Ook de kritiek op het medium zou niet verstommen, tot op de dag van vandaag. Maar het publiek ging zijn eigen weg en keek steeds massaler. Van de 400 toestellen uit 1951 nam het aantal rap toe: bij het tienjarig bestaan van tv in Nederland werd al het miljoenste televisie-apparaat een huiskamer in gereden. De wetten van de televisie zijn nooit anders geweest.

Meer over