Wöltgens: Scherp denker, gemoedelijk politicus

De overleden oud-leider van de PvdA-fractie was een bedachtzaam politicus, die het conflict liever uit de weg ging.

Jan Joost Lindner

Thijs Wöltgens was in de jaren tachtig een van de aardigste en talentvolste politici van Nederland. Hij maakte een bliksemcarrière in de PvdA-fractie, die hij leidde tijdens het woelige kabinet-Lubbers/Kok (1989-’94).

Wöltgens, die woensdag in Kerkrade op 64-jarige leeftijd overleed aan een hartstilstand, was een harmonieus mens en een levensgenieter. Toen de politiek te ruw werd, haakte hij af. In 1994 koos hij voor zijn ‘jongensdroom’, het burgemeesterschap van zijn geboortestad Kerkrade.

Daar had hij in 1966, als economieleraar, de KVP vaarwel gezegd om naar de PvdA over te stappen na de Nacht van Schmelzer. Hij vond de KVP te behoudend en de katholieke beslotenheid stond hem tegen. Wöltgens was een joviale Limburger (‘vroeg aan het bier’), maar ook een man van ontzuiling, emancipatie en vooruitgang.

In 1977 kwam hij in de Tweede Kamer waar hij spoedig zijn schroom overwon. Zijn eruditie, politiek denktalent en beminnelijkheid hielpen. In 1981 was Wöltgens al eerste financieel woordvoerder en trok hij aandacht met pleidooien voor ‘links bezuinigen’, dus sociaal verantwoord.

In 1979 diende hij een initiatiefvoorstel in om de topinkomens extra te belasten. Het voorstel werd wegens gebrek aan steun ingetrokken. Onlangs presenteerde PvdA-minister Bos (Financiën) een nieuw plan om excessieve beloningen af te romen.

Wöltgens fractieleiderschap begon in 1989 succesvol. Hij stak prettig af naast de stroeve partijleider en vicepremier Wim Kok en werd in 1990 gekozen als politicus van het jaar. Niet alleen wegens zijn humor en gevatheid, maar ook omdat hij tegen de zin van CDA-premier Lubbers minister Braks (ook CDA) van Landbouw afschoot wegens diens falende visbeleid. Wöltgens stond te transpireren in de Kamer, maar trotseerde Lubbers in diverse conflicten rond Landbouw.

Toch was hij, ook in moeilijker tijden, loyaal aan de coalitie en aan Kok. Hij uitte weinig kritiek en deed weinig aan het profileren van de fractie; dat speet menigeen in de PvdA. Er is wel gezegd dat hij het moeizame kabinet-Lubbers/Kok overeind heeft gehouden ten koste van zijn politieke carrière.

In 1991, tijdens een zomer vol splijtende PvdA-ruzies over de WAO, weigerde Wöltgens het partijleiderschap over te nemen van Wim Kok. Deze vroeg daarna het vertrouwen van de partij en groeide als leider. Een deel van de PvdA vond dat Wöltgens als zondebok weggestuurd had moeten worden in plaats van de (alleen indirect verantwoordelijke) partijvoorzitter Marianne Sint.

Een half jaar later eiste de fractietop verdere verzachtingen van de WAO-ingreep. Kok en andere bewindslieden waren woedend; de nieuwe partijvoorzitter Felix Rottenberg bleef een verklaard tegenstander van de als lui aangemerkte fractieleider. In september 1993 uitte Rottenberg dat openlijk, waarna Wöltgens slechts met grote moeite teruggehaald kon worden van een thuisreis. Er volgde een knallende driehoeksruzie bij Wim Kok waarbij een ieder ten minste eenmaal zijn ontslag aankondigde.

Wöltgens bleef, maar het mooie was eraf. De rest van de periode was naargeestig en eindigde in twaalf zetels verlies voor de PvdA. Maar de hoogst ontijdige gevechten binnen de CDA-top kostten daar zelfs twintig zetels, zodat Kok toch de sleutel van de kabinetsformatie in ’94 en het premierschap in handen kreeg.

Wöltgens voelde niet voor Paars, maar de meerderheid in de PvdA-top wel. De fractieleider had minister kunnen worden, maar koos voor het burgemeesterschap van Kerkrade, iets wat Kok nogal kleinschalig voor hem vond.

In 1996 schreef Wöltgens een scherp pamflet (De Nee-zeggers) tegen de neoliberale tijdgeest en de al te centrumachtige koers van de PvdA. Het tekende de man die zijn klassieke sociaal-democratische wortels niet wenste te verloochenen.

Na zes jaar koos ‘Ties Wultjens’ (zoals hij in Kerkrade genoemd werd) plotseling voor het einde van zijn ‘jongensdroom’ en voor een topfunctie bij de Open Universiteit. Zijn vertrek als burgemeester werd algemeen betreurd.

Wöltgens was altijd op zijn best in een niet te gepolariseerde omgeving. Zijn gemoedelijkheid, zijn bijnaam was ‘beertje Colargol’, kwam voort uit zijn natuur, maar zijn ‘luiheid’ (‘een beer in winterslaap’) was meestal een pose en een excuus om niet al te hijgerig misstanden te hoeven bestrijden.

Bij zijn afscheid van de Open Universiteit (september 2005) hekelde Wöltgens de ‘permanente aandrift’ van de politiek om het onderwijs keer op keer op de schop te nemen. ‘De kater is voor de werkers in het veld’, aldus Wöltgens. In februari dit jaar kwam de commissie-Dijsselbloem tot dezelfde conclusie.

Onlangs waarschuwde Wöltgens in NRC Handelsblad in een doortimmerd betoog voor het verdwijnen van de middenklasse, ‘de ruggengraat van elke democratische samenleving’. Juist daar zou zijn PvdA zich druk over moeten maken, in plaats van over het dragen van een boerka, hoofddoekje of al dan niet schudden van een vrouwenhand door een moslimambtenaar.

Zijn laatste baan was die van voorzitter van de Kamer van Koophandel ik Zuid-Limburg. Medio april kondigde Wöltgens zijn vertrek aan. Hij wilde van zijn pensioen gaan genieten, zei hij. En: ‘Ik heb geen concrete plannen om nog iets anders te gaan doen.’

Meer over