Woeste dieren zijn tovenaars uit Tsjaad

Beleefd luisteren Kameroenezen naar westerlingen die zeggen dat je geen olifanten moet doden. Daarna doden de Afrikanen tóch olifanten. Want voor hen is de natuur woest en vol van competitie....

Stel: een dorp in Afrika wordt geterroriseerd door olifanten. Tijdens hun trek vertrappen de dieren de landbouwgrond, waardoor kostbaar voedsel verloren gaat. Huisjes zijn niet veilig voor hun grote poten, er sneuvelt zelfs weleens een mens. Daarom doden de dorpelingen olifanten die aanvallen.

Punt is alleen: het gaat hier om een uitstervend ras. Elke gedode olifant brengt het einde van de soort naderbij. Zeggen de westerse natuurbeschermers die de dorpelingen komen opzoeken.

Die westerlingen praten en praten, ze vertellen dat het voor de toekomst van de natuur essentieel is dat zo veel mogelijk olifanten blijven leven. De Afrikanen horen de westerlingen beleefd aan. En als de natuurbeschermers weer opgehoepeld zijn, doden de dorpelingen de eerste de beste olifant die een akker vertrapt.

Botte onwil? Nee, kwestie van langs elkaar heen praten, stelt dr. Natascha Zwaal. Al leren de westerlingen de plaatselijke taal, al brengen ze een tolk mee, hun betoog gaat bij de Afrikanen het ene oor in en het andere uit. Omdat westerlingen op een andere manier denken, argumenteren en discussiëren dan de mensen die ze proberen te overtuigen. Zwaal promoveerde donderdag in Leiden op Narratives for Nature, haar studie naar verteltradities in Kameroen.

Wil je met mensen, waar ook ter wereld, praten over een hoger doel, dan zul je je moeten aanpassen aan hun manier van discussiëren, is haar stelling. Zwaal zwierf langdurig door Kameroen, gelegen in de binnenbocht van Afrika. Ze verzamelde er lokale verhalen en fabels, in totaal zo'n zeshonderd. Daaruit destilleerde de cultureel antropoloog de wijze waarop de mensen er denken, een betoog opzetten, met elkaar in dialoog gaan.

De kromme communicatie tussen westerlingen en Kameroenezen over het doden van dieren komt voort uit de totaal verschillende manieren waarop ze tegen de wereld aankijken, zegt Zwaal. Westerlingen zien tijd als een lineair begrip dat loopt van A tot Z - als de mens zo doorgaat met kappen, is er over zoveel jaar geen tropisch regenwoud meer. Zwaal: 'Kameroenezen spreken niet in termen van lange termijnen, ze weten niet eens of ze morgen nog wel leven. Ze denken eerder cyclisch, de opeenvolging van seizoenen is hun leidraad.'

Westerlingen zien de natuur als kwetsbaar, zielige dieren worden met uitroeiing bedreigd. Volgens de Kameroenezen is de natuur daarentegen woest, ze zorgt voor haar eigen voortbestaan, uitsterven is een onbekende notie. De natuur is er altijd geweest, zal zich altijd vernieuwen; daarop heeft de mens geen invloed. Van het westerse verhaal begrijpen ze dus niks.

Essentieel, zegt Zwaal, is dat Kameroenezen vinden dat mensen en dieren heel dicht bij elkaar staan. Dieren kunnen veranderen in mensen en omgekeerd. Neem nou die verwoestende olifanten. De mensen in noordelijk Kameroen geloven dat het hier gaat om tovenaars uit Tsjaad die tot olifanten zijn getransformeerd. Die beesten lopen niet dwars door je dorp omdat ze op weg zijn naar het volgende stuk van hun territorium; nee, ze vertrappen je met opzet, als straf voor onjuist gedrag. Dat kan de betekenis zijn van dieren, of van tot dieren getransformeerde mensen: je straffen omdat je niet sociaal bent geweest.

Geen wonder dat dieren in veel verhalen een belangrijke rol spelen. Die praten als mensen, hebben menselijke emoties. Vaak zijn het dieren van twee verschillende soorten die tegenstrijdige belangen en manieren van leven hebben, en die allebei proberen gelijk te krijgen. In haar proefschrift tekent Zwaal legio verhalen op om die manier van denken en vertellen te illustreren.

Daarmee reikt ze natuurbeschermers een concrete manier aan om met een bevolking als die van Kameroen in gesprek te treden. Die staat niet open voor de kolonialistische methode, waarin westerlingen komen vertellen wat zij moeten doen. In hun cultuur is het gebruikelijk als groep te discussiëren en te argumenteren over een dilemma, dat ze kennen uit een verhaal. Verstandig is dus het probleem te vertalen in een verhaal met een dilemma tussen twee dieren, waarin een voor ieder bevredigende oplossing moet komen.

Zwaal verzon als test zelf een dilemma-verhaal over een leeuw en een hond, dat ze voorlegde aan de mensen. Die dieren strijden om jachtterrein en komen in conflict omdat de hongerige hond alles en iedereen opvreet. 'Zo kun je mensen actief betrekken bij de consequenties van uitroeiing. De mensen identificeren zich met de hond of met de leeuw. Ze voeren in hun eigen taal een debat over een kwestie die ze kunnen bevatten.'

Door zelf na te denken over zo'n verhaal, komen de mensen tot een compromis waarin het afbakenen van jachtterreinen en het beperkt doden van dieren terugkomt. Wanneer ze zo tot inzicht komen, komt de verstandige aanpak uit henzelf voort. Dat is, zegt Zwaal, veel effectiever dan ze van bovenaf verbieden olifanten te grazen te nemen.

Meer over