Witte gevangene, zwarte cipier

Toen Bill Clinton, erkend liefhebber van de betere thriller, in 1992 werd gevraagd wie zijn favoriete schrijver was, noemde hij de op dat moment vrij onbekende zwarte auteur Walter Mosley....

Gelukkig belette die nieuwe status hem niet om goede boeken te blijven schrijven over de zwarte gemeenschap in zijn geboorteplaats Los Angeles meestal in de vorm van thrillers rondom de zwarte detective Easy Rawlins.

Thrillers is eigenlijk niet het goede woord, want hoewel er in de Rawlins-reeks om de haverklap misdaden worden gepleegd, dragen die maar in beperkte mate bij tot de spanning. Klassieke whodunits zijn z'n boeken ook niet. Rawlins is eigenlijk helemaal geen detective hij lost hooguit uit persoonlijke loyaliteit problemen op voor vrienden en kennissen en de vraag wie wie heeft vermoord, speelt meestal maar zijdelings een rol.

Mosley's misdaadromans zijn veeleer spannende stadskronieken a George Pelecanos. Kronieken, in Mosley's geval, met een duidelijke agenda, want het perspectief is steeds hetzelfde:

zijn zwarte personages moeten zien te overleven in een door blanken gedomineerde wereld. Net als Pelecanos duikt Mosley ook geregeld in het verleden en brengt hij zo verschillende periodes uit de geschiedenis van Los Angeles in kaart.

Daarmee houden de overeenkomsten tussen de twee wel op, want de sfeer in Mosley's boeken verschilt totaal van die van zijn collega uit Washington DC. Dat ligt voornamelijk aan het karakter van Easy Rawlins. Waar Pelecanos' helden meestal somberend door het leven gaan, blijft Rawlins ondanks alle ellende plezier houden in zijn bestaan. Hij is dol op vrouwen, drinkt er graag eentje en heeft een goed ontwikkeld gevoel voor humor.

Behalve misdaadromans schreef Mosley nog andere boeken, waaronder enkele sciencefictionromans en twee verhalenbundels over de filosofisch ingestelde ex-crimineel Socrates Fortlow. En nu is er The Man in My Basement, waarvan het omslag slechts vermeldt dat het een 'novel' is.

De hoofdpersoon in het boek is Charles Blakey, een 33-jarige zwarte Amerikaan die niet zoveel van zijn leven terecht heeft gebracht. Hij zit zonder werk sinds hij op is fraude betrapt door zijn werkgever, en besteedt zijn dagen met het zich bezatten, rondhangen in het gezelschap van zijn maten Ricky en Clarance, en het lezen van sciencefictionromans.

Tot er op een dag een klein blank mannetje bij hem voor de deur staat die hem vijftigduizend dollar biedt om voor een halfjaar zijn kelder te mogen huren. Blakey heeft geen idee wat hij ervan moet denken, maar accepteert het aanbod omdat hij het geld goed kan gebruiken.

Als de vreemdeling, Anniston Bennet, bij hem intrekt, wordt de situatie almaar vreemder. Bennet laat Blakey een kooi installeren waarin hij zichzelf opsluit met een grote stapel boeken (de bijbel, de koran, Moby Dick, Huckleberry Finn, de Story of Civilization). Blakey krijgt te horen dat hij in het vervolg van zes maanden de rol van bewaker op zich dient te nemen.

Later zal Bennet uitleggen wat het doel van zijn exercitie is. Hij heeft vreselijke dingen uitgehaald toen hij voor de Amerikaanse inlichtingendiensten werkte, en wil aan het eind van zijn leven boete doen voor zijn daden. Blakey krijgt het na die mededeling Spaans benauwd en kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn merkwaardige gast probeert hem in de war te maken. Even denk je dan dat het boek de Hannibal Lecter-kant opgaat, maar dat is niet het geval.

Langzaam verschuift de machtsbalans. Blakey beseft dat hij degene is die de touwtjes in handen heeft (hij heeft immers de sleutel van de kooi), en dat hij hem evenveel pijn kan doen als Bennet hem. Allengs ontstaat er zo een min of meer gelijkwaardige relatie tussen de twee, en brengt de witte man in gevangenschap zijn zwarte cipier de geheimen van het leven bij.

Of liever: de geheimen van de existentialistische levensfilosofie. Bennet blijkt namelijk een kenner te zijn van het werk van Sartre en Camus, en trakteert Blakey op teksten als: 'Misschien heeft het universum wetten, maar die trekken zich niets van ons mensen aan. Wij zijn slechts foutjes van de natuur die zijn opgestaan en weggelopen. De enige zekerheden zijn de dood en de wil om te overleven.'

Blakey beseft het niet meteen, maar door deze gesprekken in de kelder verandert zijn leven. Beetje bij beetje leert hij door de leugens heen te kijken die tot nu toe zijn treurige bestaan bepaalden, en krijgt hij inzicht in wie hij werkelijk is. En zie: opeens marcheert het in de liefde, en lijken de kansen in het leven voor het oprapen te liggen.

The Man in My Basement blijkt niets minder dan een ideeoman. Geen slechte, zeker niet. Alleen: het is allemaal wel erg zwaar op de hand en symbolisch verantwoord (blanke gevangene, zwarte cipier: kom op!). Na de laatste bladzijde verlang je als lezer erg naar Easy Rawlins, die weer eens een lekkere goedkope grap maakt, een meisje nastaart of iemand ongecompliceerd een knal voor zijn harses verkoopt.

Meer over