Winner takes all

Bij Howard Dean wil niemand meer horen. Zijn campagnekaravaan is een meewarig optochtje geworden. De grote namen van de networks als Dan Harris van ABC en Candy Crowley van CNN zijn afgehaakt. Ze dachten gekozen te hebben voor de winnaar, maar nu hij een loser blijkt te zijn, laten ze het noodzakelijke werk over aan jonge verslaggevers die het harde leven van een presidentiële verkiezingscampagne nog moeten leren.

Daar gaat een zichzelf versterkend effect van uit. Minder aandacht in de media is demoraliserend voor de kandidaat, leidt tot desinteresse bij de kiezer en drukt de winst van de kleine middenstand.

In Royal Oak, Michigan, maakt Dean dat hij wegkomt. Er zijn amper belangstellenden. Er is een man die parafernalia verkoopt. Eerst waren de Deanspeldjes drie voor vijf dollar. Nu doet hij ze weg voor een dollar per stuk.

Het staat allemaal in de krant. En als het niet in de krant staat, dan is het wel op televisie. Het is allemaal beeldvorming. In het geval van Dean leidt het tot de razendsnelle vergruizing van een komeet in het land van de ongekende mogelijkheden.

Tot begin januari was Howard Dean de held van de Amerikaanse media. Hij had zijn gouverneurschap in Vermont eraan gegeven, al twee jaar was hij nauwgezet bezig met zijn campagne voor het presidentschap, niemand onder de Democraten had zo veel geld weten in te zamelen, niemand beschikte over zo'n fijnmazig netwerk van vrijwilligers. Allemaal opgezet via internet.

Het was nieuw, het was overrompelend, het was openhartig, het was aan de winnende hand, het was waar de media massaal achteraan liepen. Vol bewondering waren de verslaggevers, ook de routiniers onder hen. Ook daar ging een versterkend effect van uit. De winnende hand werd onoverwinnelijk.

Nu eerst maar over the breaking of a president.

Zijn reputatie van driftharses snelde hem vooruit. Het is onbegrijpelijk dat Dean of zijn adviseurs het gevaar niet op de loer zagen liggen. Van Dean werd gezegd dat hij als gouverneur van Vermont zijn volksvertegenwoordigers wel vergeleken had met kakkerlakken. Opponenten noemde hij uilskuikens en Republikeinen waren racisten.

Een week voor de caucus in Iowa, op 19 januari, liet Dean zich op een verkiezingsbijeenkomst opjuinen door een Republikein die hem pompeus noemde. Dean beet de vijand toe dat deze moest gaan zitten en zijn mond moest houden.

Het was een incident van niks, maar het werd groot doordat het overal in Iowa door televisiezenders werd uitgezonden. En herhaald. En nog eens uitgezonden. Moet zo'n boze man onze nieuwe president zijn? In huiskamers werd achter oren gekrabd.

Wat valt de tv-zenders te verwijten? Niet veel, hooguit dat ze met zo veel zijn. En dat ze zo veel uitzenduren hebben, waardoor onderwerpen eindeloos herhaald worden, want er zijn meer uren dan er nieuws is. Maar herhaling is niet alleen verveling, het is ook toevoeging. Het is als de druppels die de steen uithollen.Dean ging onderuit. In de laatste honderd uur voor de verkiezingen hadden de peilingen een duizelingwekkende draai genomen. Opeens won Kerry. Edwards werd tweede. Dean derde. Hij wist zich miskend. Het kwam doordat de beeldvorming van zijn geslepen rivalen, als zou hij een driftharses zijn, had gewerkt. Op elke spreekbeurt in elke vlek hadden ze erop gespeculeerd en het was verder gedragen via de media. Het had monsterlijke vormen aangenomen en op het allerlaatst had het zijn werk gedaan.

Die avond hield Howard Dean een toespraak tot zijn achterban, die hem in retrospectief de nominatie en misschien zelfs het presidentschap heeft gekost. De televisiekijker zag een rood aangelopen man, met opgestroopte hemdsmouwen, die schreeuwde dat hij zich nu niet, en nooit niet gewonnen zou geven. Het was alsof je keek naar een patiënt die zich luidkeels verzette tegen transport naar de isoleercel. Het was niet prettig om te zien.

Achteraf is de verklaring dat het warm en vooral lawaaig was in de mudvolle zaal. De kandidaat moest schreeuwen om zijn supporters te bereiken. De tvkijker had daar geen weet van, zag slechts een president-in-spe die, zoals een der kranten schreef, zeven haalde op de schaal van Richter. Als waar is wat het kamp van Dean als verklaring aanvoert, is dat tegelijk het sterkste bewijs dat beeldvorming nagenoeg elke werkelijkheid heeft ingehaald.

The Washington Post schreef: 'De speech heeft de heer Dean in de problemen gebracht, omdat hij zo haarfijn reeds bestaande zorgen opriep over het gemoed van de kandidaat.'

De krant trok een vergelijking met Dan Quayle, vice-president onder George Bush sr. Quayle deed op 15 juni 1992 in Trenton de Munoz Rivera School aan, de 12-jarige William Figueroa kreeg van de vice-president de vererende opdracht het woord potato op het bord te schrijven. Dat deed de jongen. 'Bijna goed' zei de vice-president bemoedigend. 'Je vergat de e aan het eind.' De jongen deed wat de beleefdheid voorschrijft en voegde een e toe.

Waarom leidde het akkefietje bijna tot het gedwongen aftreden van de vicepresident? Omdat het de bevestiging was van het imago van Quayle: een oliebol, een nitwit, een windbuil.

Voor Dean moest na het echec van Iowa het ergste nog komen. In een poging te redden wat er te redden viel, voegde hij zich alsnog naar de wetten van de verkiezingsstrijd en werd hij een marketingproduct.

Dean zit achttien jaar in de politiek, hij is 23 jaar getrouwd met Judith Steinberg. Zij is arts, evenals hij. Ze heeft nooit iets met de politieke carrière van hem te maken gehad. 'Ik ben heel gelukkig met wat ik doe. Hij is gelukkig met wat hij doet.' Nu verscheen ze ineens op het podium. Te stralen stond ze.

Nu nog even de andere kant van de medaille, the making of a president.

John Kerry wordt naar menselijke maat gemeten de presidentskandidaat van de Democraten. John Forbes Kerry, JFK, dat kan geen toeval zijn. Hij was een held in Vietnam, als veteraan keerde hij zich tegen de oorlog, hij is al achttien jaar een succesvol senator. Maar als presidentskandidaat, schreef The Washington Post, was hij aanvankelijk nogal pummelig. Zijn boodschap was troebel, zijn praatjes met kiezers waren wijdlopig. Het was niet veel.

Kerry is van de Amerikaanse upper ten. Naar Nederlandse begrippen moet men zich zo'n beetje een ballerig type uit het Gooi voorstellen, niet eens onaardig, jammer alleen van zijn afkomst. Lange tijd wist Kerry niet hoe die handicap te overwinnen. Op grond van zijn papieren moest hij een eind kunnen komen in de race, maar zijn presentatie, het beeld, werkte niet mee. Totdat hij zijn campagneleider ontsloeg en überhaupt uit een ander vaatje ging tappen. Howard Dean had net zijn neergang ingezet, het was aan de vooravond van Iowa, de eerste voorverkiezing.

Kerry won, het was een wonder, maar hij won. Daarna ging het vanzelf. Hij won in B, omdat hij de week daarvoor zo aansprekend in A had gewonnen. Omdat hij niet alleen in A, maar nu ook in B had gewonnen waren de media niet meer weg te slaan. Ze hadden Dean verlaten en klitten als neten aan Kerry. Nu Kerry zowel in A als in B de winnaar was, zag hij eruit als een echte winnaar, als de belichaming van het Anyone But Bush. Hij zal volgende week vast en zeker in C winnen.

Winner takes all – zo gaat het.

De nieuwe campagneleiding had Kerry opgedragen meer van zichzelf te laten zien. Hij moest in strijd met zijn geschiedenis proberen een toffe peer neer te zetten. Gedragen door zijn succes, vooruit gestuwd door een niet te bevredigen honger van de media, is hem dat magistraal gelukt. Kerry is een populaire man aan het worden in de VS.

Hij deelt nu zijn intimiteit met de kiezers, hij praat over het verwoestende van zijn echtscheiding. Maar life goes on en daarom verscheen in de late nightshow van Jay Leno op NBC de andere kant van John Kerry. Op een Harley Davidson kwam hij binnenrijden. 'Zijn hele optreden was nep', schreef de The New York Times. Het werkte.

Drie weken geleden overleed Jack Paar, de aartsvader van de talkshow op de Amerikaanse televisie. Van hem is deze waarneming: 'Als je naar politieke programma's kijkt, merk je dat ze politieke vragen stellen; de antwoorden zijn politiek. Als het allemaal voorbij is, heeft niemand iets gezegd.'

Zo wordt ook in Amerika de hohere Politik ervaren. In het land van de altijddurende televisie is de gevoelservaring de leidraad: vind ik deze vent aardig? Vind ik het leuk dat hij per Harley Davidson in een motorjack de talkshow komt binnenrijden? Lacht ie leuk? Wat voor vrouw heeft ie tegenwoordig? Gelooft hij in God?

'Acteren is de essentie van de huidige presidentiële campagne', schreef The New York Times. Kerry en Bush hebben meer gemeen dan de kijker mag weten. Ze zijn beiden van Yale, de top van de Ivy League-universiteiten Ze zaten daar in dezelfde exclusieve studentenvereniging. Beiden zijn van rijke families uit New England, ze behoren door geboorte tot het patriciaat van de VS.

Kerry probeert met een Harley Davidson het beeld van een getapte jongen neer te zetten. Bush doet alsof hij echt uit Texas komt door cowboylaarzen te dragen. In culturele zin is dat het verschil tussen beiden.

Meer over