WIM VANDEKEYBUS

Hij staat bekend als een doordrammer. Danser/choreograaf Wim Vandekeybus rust niet voordat hij heeft wat hij wil. Van de spelers van Ultima Vez eist hij volledige overgave én durf....

GEBRUIK MAKEN van bestaande muziek vindt Wim Vandekeybus te gemakkelijk. Dus vroeg hij voor zijn nieuwe productie David Byrne als componist. Inderdaad: de David Byrne van Talking Heads.

En denk niet dat Byrne de Vlaamse choreograaf blij heeft gemaakt met wat geremixte muzikale restjes. Zo zit Vandekeybus niet in elkaar. De wereldberoemde popmusicus mocht alleen meedoen als hij bereid was in eigen persoon te komen kijken naar wat er in de dansstudio gebeurde. Zodoende werkte David Byrne sámen met Wim Vandekeybus. Zoals hij dat eerder deed met choreografe Twyla Tharp, theatermaker Bob Wilson en filmregisseur Wim Wenders - legendarische artistieke ontmoetingen die resulteerden in een rijtje prachtige, veelverkochte soundtracks. Straks staat er in dat rijtje ook Music for In Spite of Wishing and Wanting, of misschien wel Music for Wim.

Wie het werk van Vandekeybus kent, zal zich daar niet over verbazen. Al vijftien jaar getuigt zijn optreden in en buiten het theater van stoutmoedigheid en daadkracht. Met zijn eigen gezelschap Ultima Vez reist hij de wereld rond, her en der workshops gevend om nieuw talent te recruteren voor zijn internationale verzameling dansers en acteurs. Hij is dag en nacht in touw, bemoeit zich met ieder aspect van zijn producties, ontwerpt de decors, maakt zelf de intrigerende, surrealistische films die sinds 1991 zijn theaterbeelden domineren en het liefst ook nog de films óver zijn voorstellingen.

Als beginnend theatermaker wist hij de populaire Vlaamse componist Thierry de Mey te strikken voor verregaande medewerking, en later de avant-gardeband X-Legged Sally. Hij maakte een blinde Marokkaanse danser tot een van zijn sterren en reisde naar diens vaderland om de beelden te filmen 'in het hoofd' van deze Saïd Gharby. Voor Immer das Selbe gelogen (1991), een voorstelling over de broosheid van de jeugd en de kracht van de ouderdom, sloot hij vriendschap met de toen 89-jarige Duitse kunstenaar Carlo Verano. En voor de speelfilm die hij wilde maken naar een verhaal van Paul Bowles zocht hij in Tanger de schrijver persoonlijk op.

Jan Fabre zag het meteen toen de 21-jarige psychologiestudent in 1983 bij hem auditie deed. Vandekeybus, zoon van een dierenarts en fanatiek amateurfotograaf, had geen podiumervaring, maar tussen de driehonderd kandidaten was hij opvallend aanwezig. 'Hij deed een zeer goede bewegingsauditie', herinnert Fabre zich (wat in die tijd bij Fabre inhield dat je bijvoorbeeld een half uur lang doodstil kon staan). 'En hij was een van de weinigen die op het podium een erectie kon krijgen.' Pardon? 'Ze moesten vijf minuutjes aan zichzelf voelen', legt Fabre rap uit, alsof hij de meestgebruikte acteursoefening beschrijft. Met de ogen dicht fantaseren en proberen of je hem omhoog kan krijgen. Dat schijnt niet eenvoudig te zijn als je prestaties in het openbaar worden beoordeeld. Maar Vandekeybus had daar geen last van, en dat zegt veel over zijn bereidheid om over grenzen te stappen, om zich over te geven aan zijn eigen driften en aan de verlangens van een charismatische regisseur.

Dezelfde bereidheid zou Vandekeybus een paar jaar later al van zijn eigen spelers eisen. Uitputtend, rauw en risicovol is de bewegingsstijl waarmee hij naam heeft gemaakt. Dansen is bij Vandekeybus springen en vallen, botsen en ontwijken, jezelf weggooien en op laten vangen. Zijn dansers proberen hoog boven het podium op een omgekeerd opgehangen stoel te zitten of rennen achteruit alsof een onzichtbare kracht ze wegduwt. Dat alles in een overdonderend tempo dat de toeschouwers al naar adem doet happen, laat staan de dansers. 'Exploderen', dat is het lievelingswoord van Wim Vandekeybus. Scènes moeten exploderen, hele voorstellingen, de dansers ieder afzondelijk, en als dat niet kan, laat hij de sokkels waarop ze staan met een knal ontploffen.

'We beginnen op een hoogtepunt', vertelt een danseres bijna verontwaardigd in een documentaire over de laatste scène van Bereft of a Blissfull Union (1996), 'en dan houden we dat hoogtepunt een half uur vol! Krankzinnig!' Vandekeybus wordt door zijn dansers een doordrammer genoemd. Iemand die niet rust voordat hij krijgt wat hij wil hebben. Zolang de dansers zelf geen 'stop!' roepen, blijft Vandekeybus de fysieke mogelijkheden van zijn dansers oprekken.

De eerste eigen voorstelling van Wim Vandekeybus, What the body doesn't remember uit 1987, bevatte een levensgevaarlijk spel met in de lucht geslingerde stenen. Bij het neerkomen verpletterden die stenen telkens bijna de hoofden van de dansers, die pas op het allerlaatste moment maakten dat ze wegkwamen. Die jonge dansers met hun adembenemende precisie, inzet en overgave, waren ook nog eens ongeschoold. Want net als zijn leermeester Fabre selecteerde Vandekeybus zijn spelers aanvankelijk op uitstraling en niet op techniek.

'Hij zocht jonge mensen die met een soort devotie alles voor hem zouden doen', ontdekte Barbara Duijfjes toen ze voor die eerste Vandekeybus-voorstelling auditie deed. 'Daarom wilde hij met mensen werken die weinig achtergrond hadden.' Duijfjes had te veel een eigen theatertaal om geschikt te zijn, maar het duurde nog even voor Vandekeybus dat ook vond. 'Op een gegeven moment pikte hij mij eruit. Of ik een potje voor hem wilde dansen. Dat deed ik dus maar.' La Duijfjes improviseerde er eindeloos op los en klom van gekkigheid in de gordijnen, terwijl Vandekeybus peinzend toekeek zonder ook maar één aanwijzing te geven.

'Hij was heel welbewust, op het autoritaire af. Dat heeft hij absoluut van Fabre afgekeken. Maar hij maakte het waar, die voorstelling was erg goed.'

Net als Duijfjes denkt Vandekeybus in beelden. 'Hij kan materie voor zich laten werken, zodat het inhoud krijgt en emotie.' Het veertje bijvoorbeeld, dat een danser in die eerste voorstelling omhoog blies: zolang het in de lucht bleef, mocht de jongen zelf bewegen. 'Je zag dat zoiets nietigs als een veertje macht over jou kan krijgen. En hoe langer die scène duurde hoe meer het veertje ging staan voor alles wat ongrijpbaar is.'

Ook zijn bewegingsstijl is op beelden gebaseerd. Vandekeybus plakt in een hoog tempo poses achter elkaar: extatische poses, of in zijn nieuwste voorstelling slaaphoudingen. Zo bouwt hij ook een hele voorstelling op, zappend van beeld naar beeld. Een kamerbreed bontvel als zacht projectiescherm, een los mensenhoofd op een tafel dat converseert met een blind rondtastend onthoofd lichaam, gezichtloze dansers met maskers van haar - het is maar een kleine greep uit de caleidoscoop van wonderbaarljke taferelen.

Een bak met vissen die overloopt, zo ziet de maker zelf zijn overdaad aan beelden en thema's. 'Hij moet eens op zoek gaan naar een goeie dramaturg', adviseert Jan Fabre.

'Wim maakt los aan elkaar gemonteerde scènes die wel goed doorlopen maar niet noodzakelijk iets vertellen', aldus choreograaf Roberto de Jonge, die daarmee de meest gehoorde kritiek op Vandekeybus verwoordt. De Jonge kent Wim nog uit Fabres Macht der Theaterlijke Dwaasheden, waar ze als twee naakte keizers samen een tango dansten. Zoals zoveel ex-Fabrianen sloeg ook De Jonge zelf aan het theatermaken maar met minder succes dan zijn voormalige collega. 'Hij deed iets wat bij zijn leeftijd paste, en dat daardoor veel meer aansloeg,' denkt De Jonge achteraf. 'Als twintiger hoor je rond te rennen en over de grond te rollen, terwijl ik heel volwassen dingen ging maken, serieus en doordacht.'

Vandekeybus presenteert zich als een intellectuele kunstenaar, die veel leest en zijn eigen werk uitstekend filosofisch kan onderbouwen. Maar in wezen speelt het intellect in zijn werk een ondergeschikte rol. 'Hij spreekt de taal van het instinct en de intuïtie', zegt Jan Fabre, 'en de verloren taal van de sprookjes.' Fabre herkende aanvankelijk (te) veel van zijn eigen werk bij Vandekeybus, maar zag hoe zijn ex-leerling zich aan zijn invloed ontworstelde. Hij prijst de 'echtheid' en de rauwe performance-kwaliteit die Vandekeybus in zijn voorstellingen legt. Dat kenmerkt hem ook als speler, zegt Fabre die vorig jaar een solo voor Vandekeybus maakte, en daar zo enthousiast over is dat hij nu bezig is aan een nieuw stuk voor Vandekeybus en Els Deceukelier. 'Wim speelt niet om te spelen. Hij speelt omdat hij gelóóft.'

Echtheid en overgave, daarin ligt de kracht van het werk van Vandekeybus. Inhoudelijk blijft het ongrijpbaar, net als Vandekeybus zelf. Een voormalige psychologiestudent die zich verzet tegen psychologische duiding van zijn werk. Die in filosofische concepten gaat praten als hij het heeft over de prachtige beelden die uit het diepste van zijn ziel lijken te komen. Die tien verhalen tegelijk wil vertellen, maar iemand als David Byrne bewondert om het feit dat hij nooit uit zichzelf een praatje zal beginnen. Een jongeman met een grote autoriteit en scheppingsdrang die zichzelf het liefste wég zou willen dansen.

Zichzelf wegdansen, misschien gaat het daar ook om in de uitspraken die Vandekeybus doet. 'Het gaat over een koppel', zei hij in een interview over Her body doesn't fit her soul. 'Een koppel dat op verschillende banen leeft die elkaar kruisen. Hij heeft de hele nacht gewerkt, zij heeft de hele nacht geslapen. Het enige wat ze kunnen zeggen is: Let's agree that we understand each other.'

Ik wou dat jullie me begrepen, lijkt hier een kunstenaar te roepen die zijn persoonlijk leven opoffert om vorm te geven aan de stormen die binnenin hem razen. Maar voor iemand antwoord kan geven, zegt diezelfde kunstenaar dat hij begrip helemaal niet interessant vindt. 'Het niet-begrijpen. Dáár gaat het om.' Waarop de kunstenaar met een catastrofale sprong verdwijnt in een wolk van opstuivend woestijnzand.

Meer over