Willem van Malsen was uitvinder van van alles

Troost en ontroostbaarheid, ze zijn onvergelijkelijk verwoord in deze tekst (die door de schijnbare nonchalance nog extra troost): ‘Kijk, er kan wel eens een neef of een nicht overlijden en dan heb je nog een neef of een nicht over....

Kees Fens

De laatste deuren en huizen van de anderen zijn niet gering. Ieder is op eigen wijze de rondleider in zijn museum. Kees van Kooten die vijf jaar achtereen een door Henneman en Van Malsen gemaakt kunstwerk kreeg (hoe uitzonderlijk mooi) zou met zijn woorden en zijn blik een hele schoolklas in zijn museum stil krijgen. Remco Campert neemt iedere keer opnieuw, zacht, het woord. Hij mompelt meer tussen de kunstwerken (hoe graag hoor ik hem mompelen), en aan het slot zegt hij iets fermer dat de saaiheid van Van Malsens afwezigheid nu pas goed voelbaar wordt. Er moet weer iets gebeuren, maar bij de kunst van nu drink je, helemaal roerig als je bent over het mogelijke van het onmogelijke, ook niet jubelend een fles whisky leeg. Naar Jeroen Henneman luister ik altijd heel graag. Hij laat zijn gedachten zich langzaam ontvouwen en spreekt ze dan in een schitterende peinzende traagheid uit. Het wordt stil als hij langzaam uit zijn gedachten en woorden omhoog komt.

Mensje van Keulen spreekt meer over Van Malsen dan over diens werk, met een ingehouden genegenheid die zeldzaam is en heel mooi om te zien en te horen. Natuurlijk is Jan Mulder de luidruchtigste; hij roept alsof hij Willem van Malsen uit de dood wil opwekken. De groep heeft, met enkele aanhangers, een tijd gekend waarin zij zelf vitaal waren als Van Malsen en zijn kunst. Ik kijk op mijn tafel en zie niets dat een kunstwerk in zich verbergt. Daar zijn het oog en de handen van Van Malsen. Hij ontdekt een tafel vol mogelijkheden. Als hij verdwenen is, is de tafel onherkenbaar. Dat is kunstenaarschap.

Meer over