Geschiedenis

‘Wij zullen niet ten onder gaan’

Dat de zwarte Susi Kleinmoedig en de Joodse Sinuhe Oomen een relatie zouden krijgen, lag niet voor de hand op Curaçao. Dat heeft alles te maken met de koloniale geschiedenis van het eiland.

Redactie
Sinuhe Oomen en Susi Kleinmoedig Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Sinuhe Oomen en Susi KleinmoedigBeeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Op een van de houten banken in de Mikvé Israël-Emanuelsynagoge op Curaçao zit een stel: Sinuhe, industrieel ontwerper, en Susi, meubel- en keukenontwerper. Ze zitten hand in hand, door de ultramarijne ruiten van het godshuis valt het licht over hen heen. Ze lijken helemaal in elkaar op te gaan.

De 42-jarige Sue-Yenne (‘Susi’) Kleinmoedig is een zwarte vrouw. Ze is samen met de 52-jarige Sinuhe Oomen, die zich nadrukkelijk identificeert als Joodse man. Beide bevolkingsgroepen – zwarte mensen en Joden – leven al eeuwen op het Caribische eiland Curaçao. Mensen als Susi werden ooit katibu genoemd, terwijl voor mensen als Sinuhe de titel shon was gereserveerd.

Oftewel: slavin en meester.

Dat was in elk geval zo tot 1863, toen de Nederlandse koning Willem III het einde van de slavernij op Curaçao liet afkondigen. Maar daarna was nog geen sprake van gelijkwaardigheid tussen zwarte of gekleurde mensen aan de ene kant en witte (Joodse) mensen aan de andere. En nog steeds niet, meent bijvoorbeeld de Curaçaose sociaal-geograaf Charles do Rego, alle emancipatiestrijd ten spijt.

Ergens is het dus opvallend, dit stel.

Zij is een zwarte vrouw en hij een Joodse man. Maar het ligt een stuk ingewikkelder. Want in Susi Kleinmoedig stroomt niet alleen het bloed van haar ooit uit Afrika weggevoerde en tot slaaf gemaakte voorouders, maar ook dat van inheemse bewoners van Curaçao en dat van witte Nederlandse kolonisten. En de bloedlijn van Sinuhe Oomen is niet alleen Joods, maar ook wit-Europees, inheems en Afrikaans.

‘Als je het wilt hebben over het verhaal van shon en katibu, van meester en slaaf, dan hoef je niet per se naar de geschiedenis van Susi en mij samen te kijken’, zegt Sinuhe. ‘Al binnen mijn eigen familie, binnen mijzelf dus ook, lopen de lijnen van dat verhaal helemaal door elkaar.’

Het ‘door elkaar lopen’, de vermenging van bevolkingsgroepen, is op Curaçao, sinds 2010 een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden, een vanzelfsprekend gegeven. En tot op zekere hoogte geldt dat ook voor de andere vijf eilanden van de vroegere Nederlandse Antillen (Aruba, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba). Maar meer dan elders geldt juist voor Curaçao de uitspraak van de Surinaams-Nederlandse Jörgen Raymann: ‘Ik heb meer identiteiten dan jij vooroordelen.’

Joden op Curaçao

Eeuwenlang leefden op Curaçao de Caquetío, de inheemse bewoners die eerder met hun boten vanaf het vasteland van Latijns-Amerika waren gekomen, een tamelijk ongestoord bestaan. Naar schatting tweeduizend mensen verbleven op het eiland, totdat in 1499 de eerste Spanjaarden aan land kwamen, onder leiding van Alonso de Ojeda. In de jaren erna verscheepten de Spanjaarden de meeste Caquetío onder dwang naar Hispaniola, het eiland waarop later de staten Haïti en de Dominicaanse Republiek werden gevestigd, waar zij op de plantages te werk werden gesteld.

Pas in 1527 gingen de Spanjaarden zich echt vestigen op Curaçao, het eiland met zijn grote natuurlijke haven. Maar omdat het nauwelijks grondstoffen en natuurlijke rijkdommen kende en het ongeschikt was voor grootschalige landbouw, werd het al snel bestempeld tot inútil: nutteloos. Na invallen van de West-Indische Compagnie gaven de Spanjaarden zich in 1634 over aan de Nederlanders. Daarna spreken we over de Nederlandse koloniale overheersing van Curaçao en Onderhorigheden (Aruba en Bonaire), zoals het gebied destijds genoemd werd. Dat klopt ook, maar eigenlijk slechts ten dele.

Want met Johan van Walbeeck, de eerste Nederlandse gouverneur van Curaçao, stapte meteen ook een Joodse man aan wal: de tolk Samuel Cohen. En vanaf 1651 vestigden zich de eerste groepen Sefardische Joden op Curaçao, vanuit Nederland en Brazilië. En net zoals de witte Nederlanders besloten te blijven, zo deden ook de eerder uit Spanje en Portugal voor de inquisitie naar Nederland gevluchte Joden dat.

In de 18de eeuw was van alle witte mensen op het eiland de helft Nederlander, en de andere helft van Joodse afkomst. Dat geldt dus ook voor de tijd waarin Curaçao een belangrijke rol speelde als ‘depot’ en ‘overslagplaats’ voor de tot slaaf gemaakte Afrikanen, in totaal bijna 600 duizend, die op Nederlandse schepen zijn vervoerd.

Charles do Rego, de Curaçaose sociaal-geograaf, is een van de mensen die zich in de Joodse geschiedenis in het Caribisch gebied hebben verdiept. ‘Vanaf de 17de eeuw kwamen er Joden naar Curaçao’, zegt hij. ‘De meesten kwamen in de handel terecht. Maar Joden waren ook actief op de kapitaalmarkt, zoals voor de verzekering van de schepen die zijn gebruikt voor het vervoer van tot slaaf gemaakte mensen. Zij waren dus betrokken bij de bekostiging van het slaventransport. Daarnaast was een klein aantal Joden eigenaar van een plantage en had daar tot slaaf gemaakte mensen aan het werk. En dat gold ook voor de Joodse handelaren die huisslaven bezaten.’

Al met al, meent Do Rego, kun je stellen dat Joden een ‘aanzienlijke rol’ hebben gespeeld in het slavernijverleden van Nederland – overigens niet alleen op de Caribische eilanden, maar ook in Suriname. Volgens hem heeft dat binnen de Afro-Curaçaose gemeenschap voor veel wrok gezorgd, zoals dat ook bestond en soms nog bestaat tegenover de niet-Joodse Nederlandse gemeenschap.

‘Als je eeuwenlang wordt vernederd, uitgebuit en geminacht, kerft zich dat diep in je psyche’, zegt hij. Dat sentiment blijft volgens hem generaties lang bestaan. Tegenwoordig is het minder, ook omdat er vermenging van de verschillende bevolkingsgroepen heeft plaatsgevonden. En veel Afro-Curaçaose gewoontes zijn deels in een Joodse context ontstaan. ‘Dat geldt in zekere zin ook voor het Papiaments, dat heel veel invloeden uit het Portugees kent. En dat Portugees is onder anderen door de Joden naar het eiland gebracht.’

Het moge duidelijk zijn: in de liefde tussen Sinuhe en Susi zit de geschiedenis van de Curaçaose samenleving en hoe deze een gemengde is geworden.

Susi Kleinmoedig

Susi Kleinmoedig is geboren in Scharloo, de wijk in Willemstad waar vroeger de rijke Joden woonden, maar later de minder bedeelde Afro-Curaçaoënaars terechtkwamen, zoals de familie Kleinmoedig. Susi neemt aan dat de eerste, haar onbekende voorouder die na 1863 als vrij persoon een achternaam kon nemen, voor ‘Kleinmoedig’ koos omdat hij of zij ‘klein maar moedig’ was. Dat het woord juist ‘bedeesd’ of ‘lafhartig’ betekent, wenst zij eenvoudig niet te geloven. De Kleinmoedigs, wat ook hun lengte is, zijn volgens haar dappere lui.

Het deel van de wijk waar Susi met haar familie woonde, stond in haar jeugd bekend als een probleemgebied, met veel drugsverslaafden. Het streng katholieke gezin Kleinmoedig woonde op een eerste verdieping, bemoeide zich zo min mogelijk met het ruige straatleven en verhuisde naar een zelfgebouwde woning bij Santa Rosa, een andere buurt, toen Susi een jaar of 10 was.

Haar moeder was verpleegster. Haar vader werkte eerst voor de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij, maar het grootste deel van zijn arbeidsleven was hij administrateur voor de Stichting Jeugdcentrale Curaçao, een jeugdcentrum. ​​Ze probeerden Susi en haar oudere zus en broer te beschermen tegen de vaak zo boze buitenwereld. En behalve beschermend waren haar ouders diep conservatief, vertelt Susi. Veel was taboe. Het leidde ertoe dat Susi een tikje wereldvreemd de middelbare school betrad. Ze verscheen in keurige kleren en met strikjes in haar haren op de mavo, terwijl haar klasgenoten met make-up op tot diep in de nacht gingen dansen.

Als kind maakte zij voor het eerst binnen haar eigen familie met racisme kennis. ‘Mijn opa van vaderskant had een kortstondige relatie met een zwarte vrouw. Daar is mijn vader, een donkere man, uit voortgekomen.’ Later trouwde haar opa met een witte vrouw van Aruba. Susi wil daarover niet al te veel uitweiden, maar noemt het een ‘niet erg aangename combinatie’, die ook haar vader weinig geluk bracht. ‘Wij werden geboren, de kinderen van mijn moeder en vader. Ook wij zijn niet bepaald wit, we zijn gewoon mulatten. En alleen daarom werden wij gediscrimineerd.’ De witte vrouw van haar opa dronk bijvoorbeeld uit een echt glas, de andere gezinsleden kregen een plastic beker. En haar opa, die zelf ook een donkere huidskleur had, deed daar niks tegen. ‘Dat neem ik hem nog steeds kwalijk.’

Landhuizen

In het verhaal van de slavernij op Curaçao zijn de zogeheten landhuizen prominente markeringspunten. Tot op de dag van vandaag, want tientallen van de vroegere residenties van plantagehouders zijn niet alleen behouden gebleven, maar ook gerestaureerd. Ze gelden uiteraard niet meer als kas di shon, ‘het huis van de meester’, maar doen dienst als boetiekhotels, restaurants, musea of particuliere woningen. Ze liggen relatief hoog, zodat de eigenaars goed overzicht konden houden over hun plantages en de mensen die gedwongen waren daar te werken.

Zo ligt niet ver van de westelijkste punt van het eiland landhuis Knip (ook wel Kenepa genoemd). Op de plantage die ooit bij dit landhuis hoorde, werkte Tula, de bekendste zwarte vrijheidsstrijder van Curaçao. In 1795 gaf Tula leiding aan de grootste en uiteindelijk bloedigst neergeslagen slavenopstand die het eiland heeft gekend.

Een aantal plantages kende Joodse eigenaren. Dat gold ook voor de plek die rond 1750 werd gebouwd en waarvan het landhuis bekendstaat als Habaai, waarin Lusette Verboom-Fairbairn (65) en Herman Verboom (78) nu een cultureel centrum en kunstgalerie runnen.

‘Er was op deze plek eerder een plantage, die in 1771 een Joodse eigenaar kreeg’, zegt Herman Verboom. ‘Hij werd gabbai Henriquez genoemd, dat is eigenlijk de naam voor wat je de koster van de synagoge zou kunnen noemen. Daaraan ontleent het landhuis zijn huidige naam ‘Habaai’. Ook Henriquez bezat slaven.’

De eerste Joodse mensen die zich op Curaçao vestigden, gingen als landbouwers aan de slag. Niet om producten te exporteren, zoals op de grote plantages in bijvoorbeeld Suriname gebeurde, maar om voldoende voedsel te verbouwen. Voor de eigen Curaçaose bevolking, en ook voor de tot slaaf gemaakte mensen die naar het eiland waren gebracht en na hun vaak gruwelijke overtocht iets moesten aansterken voordat zij werden doorverkocht aan slaveneigenaars uit andere kolonies in de regio. Daarna zijn veel Joden op het eiland in de handel gegaan, en ook daar hadden zij tot slaaf gemaakte mensen aan het werk.

De eerste groepen Joden die zich op Curaçao vestigden, waren Sefardische Joden, oorspronkelijk afkomstig uit Portugal en Spanje. De term ‘Sefardim’ is afgeleid van het Hebreeuwse woord voor Spanje. De Asjkenazische Joden, zij met een Noord- of Oost-Europese achtergrond, kwamen pas veel later, vanaf 1926, naar het eiland.

Al zijn er daarop ook uitzonderingen. Zoals in het geval van de overgrootvader van Sinuhe Oomen.

Leren zwemmen aan de noordkant

‘Het is belangrijk’, zegt Sinuhe, ‘dat je je geschiedenis kent. Dat je weet van wie je afstamt. Als je dat niet doet, als je je daarin niet verdiept, dan leef je eigenlijk als een insect, als een dier zonder bewustzijn en verdieping. Dan loop je een paar dagen op aarde rond en dat is het dan, dan ga je dood.’

Sinuhe is op Curaçao geboren in de wijk Pretu i Nana in Willemstad. Als hij 3 jaar oud is, verhuist het gezin naar Hato, het gebied bij Willemstad aan de noordkant van het eiland waar de luchthaven is aangelegd. De familie Oomen woont in een van de barakken die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor Amerikaanse piloten bestemd waren.

Sinuhes vader, een in 1933 in Den Helder geboren protestant, heeft als kind in Amsterdam de Hongerwinter meegemaakt. Het trauma daarvan zou zijn leven bepalen. Hij ging in dienst bij de marine, werkte zich op tot radiotelegrafist en besloot na zijn derde missie in het Caribisch gebied om zich voorgoed op Curaçao te vestigen.

Sinuhes moeder is de tweede vrouw van zijn Nederlandse vader. Ze is de dochter van een donkere Surinamer, die voor de Isla, een raffinaderij van Shell, naar het eiland kwam, en van een Curaçaose vrouw van Joodse afkomst, wier vader, de overgrootvader van Sinuhe dus, de eerste Joodse persoon in Sinuhes Curaçaose bloedlijn is. Het gaat om Lion Bouwman (1885), een Nederlandse Jood die zich begin vorige eeuw op Curaçao vestigde en daar trouwde met een katholieke vrouw met een inheemse achtergrond.

Sinuhes Surinaamse opa kreeg bij de Isla als biochemicus wel werk, maar nooit promotie. ‘In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw was op Curaçao volop sprake van segregatie,’ zegt Sinuhe. ‘De zwarte Curaçaose arbeiders van de Isla zaten tijdens hun middagpauze buiten op de stoep onder de hete zon, de Surinamers en Portugezen zaten onder een afdakje en de witte Nederlanders bleven binnen, in een prettig gekoelde ruimte.’

Sinuhes opa was niet de enige met dergelijke ervaringen. ‘Iedereen bij en rondom Shell kende zijn plaats in de hiërarchie van rang, stand, ras en etniciteit’, schrijft Ton de Jong in zijn boek 100 jaar olie op Curaçao. Na de afschaffing van de slavernij werd er volgens De Jong een andere vorm van ondergeschiktheid zichtbaar, zij het nu in de ‘aangeharkte omgeving’ van het moderne bedrijf dat de raffinaderij was.

Sinuhe vat zijn ‘heel vervelende en zware jeugd’ samen in een bijzonder beeld. ‘Ik heb aan de noordkant leren zwemmen’, zegt hij. Een Curaçaoënaar weet dan genoeg. De noordkant is de kant van het eiland waar, zoals bij Boka Pistol, de Caribische zee even ruig als gevaarlijk is en de golven met kracht tegen de rotsen slaan. Weinig mensen weten zich daartegen te weren.

Als zijn ouders gaan scheiden, zorgt dat voor ‘vreselijke ruzies, drama’s en enorme spanningen’. Sinuhe probeert daaraan te ontsnappen door ‘te tekenen, boetseren, fantaseren, in een andere wereld te leven.’ En door te lezen. Van zijn school, het Maria College in de wijk Otrobanda in Willemstad, loopt hij naar de bibliotheek in Scharloo en leent hij het ene na het andere boek.

Op die wandeltocht komt hij steeds langs de synagoge in de wijk Punda. Hij gaat er ook binnen kijken. ‘Ik wist in die tijd niet dat mijn moeder Joods bloed had. Pas toen mijn moeder begreep dat ik in de Snoa (zoals de Mikvé Israël-Emanuelsynagoge ook bekendstaat, red.) kwam, begon zij tegen mij over haar Joodse achtergrond te praten. Echt te praten. Dus ja, het voelt voor mij alsof het joodse geloof mij geroepen heeft.’

Sinuhe is 21 als hij naar Nederland gaat, ‘een verschrikkelijke cultuurshock’. In de 21 jaar die hij vervolgens voor studies en werk in Nederland zal doorbrengen, begint hij ook meer te weten te komen over het leven van zijn Joodse overgrootvader Lion Bouwman. Maar pas terug op Curaçao gaat hij zich serieus in de vele facetten van het jodendom verdiepen.

Mikvé Israël en Beth Haim

De Joodse aanwezigheid in de geschiedenis van Curaçao is niet uitsluitend te reduceren tot het aandeel in de slavernij. De Joden hebben in al die eeuwen, tot op de dag van vandaag, een rol van betekenis gespeeld in de kunst en cultuur van het eiland. Een bekend voorbeeld hiervan is de Mikvé Israël-Emanuelsynagoge, de oudste nog in gebruik zijnde synagoge op het westelijk halfrond, waar we Susi en Sinuhe spreken.

De synagoge is in 1732 gebouwd, met de Portugese synagoge in Amsterdam als voorbeeld. Aan die synagoge is ook het Joods Historisch Cultureel Museum verbonden, waar onder meer afgietsels liggen van grafstenen die afkomstig zijn van de joodse begraafplaats Beth Haim, die zich bevindt op het terrein van de vroegere plantage Blenheim op Curaçao.

Die begraafplaats is in alle indrukwekkendheid ook een van de meest surrealistisch aandoende plaatsen op Curaçao. Beth Haim dateert van 1659 en lag zowat een eeuw lang letterlijk onder de rook van de Isla, de enorme raffinaderij die de afgelopen eeuw zo’n belangrijke economische en maatschappelijke rol op het eiland heeft gespeeld. Op dit moment ligt de Isla vrijwel stil, maar in de afgelopen honderd jaar hebben zure regen, zwavel en andere giftige dampen die uit de talrijke schoorstenen zijn gekomen de graven flink aangetast en soms zelfs doen vergaan.

Gelukkig kan Sinuhe op Beth Haim nog aanwijzen welk graf van zijn overgrootvader is. Hij komt er regelmatig. Lion Bouwman is in 1943 gestorven. Van zijn graf is het naamplaatje verdwenen, maar via de archieven en met de hulp van deskundige Gigi Scheper heeft Sinuhe kunnen reconstrueren welk graf van zijn eerst bekende Joodse familielid is.

In de Mikvé Israël-Emanuelsynagoge is behalve Sinuhe ook Susi regelmatig te vinden. Niet alleen omdat zij er vrijwilligerswerk doet bij het museum, maar vooral omdat zij er ook diensten volgt.

Want Susi is joods.

Zij heeft zich bekeerd en is als joodse in de kleine gemeenschap van Curaçao opgenomen. ‘Ik was op zoek naar iets dat echte gevoelens in mij losmaakte en mij innerlijke rust gaf’, vertelt Susi. ‘Toen ik de synagoge binnenkwam, voelde dat alsof ik thuiskwam. De dienst begon, ik hoorde het gezang van Hazzan Tracht, de spiritueel leider van de synagoge, en kreeg kippenvel.’

Voor Sinuhe is het joodse geloof het fundament onder zijn leven. ‘Om twee redenen’, zegt hij. ‘In het jodendom hebben mijn geest en later ook mijn hart hun plek gevonden. De rust, de meditatie, het gezang: door dit alles heb ik mijzelf teruggevonden. En de andere reden heeft te maken met mijn overgrootvader. Die was hier op Curaçao, terwijl in Europa zijn hele familie is geëlimineerd, vergast, vermoord. Men wilde niet dat op deze aarde mensen van ons bloed rondliepen. Maar mijn overgrootvader is ontkomen en daaraan dank ik mijn eigen bestaan.’

Hij kijkt strak voor zich uit. ‘Ik heb dit alles als een uitdaging opgenomen. Wij zullen niet ten onder gaan. Het is soms alsof ik de enige ben die bewijst dat mijn familie niet van de aardbodem is verdwenen. Zij die ons wilden uitroeien, hun missie is mislukt. Want ik ben hier nog, op Curaçao, met mijn joodse naam, Sinuhe, ‘hij die met het water kwam’. En aan mijn zoon heb ik mijn naam Leon gegeven. Wij zijn er nog. Wij zijn hier.’

Plantersrust

En zo zitten ze samen op een van de houten banken in de synagoge: Sinuhe en Susi.

Ze leerden elkaar kennen op zaterdag 1 november 2014. Kiki, een wederzijdse vriendin, is jarig en geeft een feestje. ‘Toen ik binnenkwam, zei Kiki: daar aan dat tafeltje is nog een plekje’, zegt Sinuhe. ‘En daar zat ík dus’, zegt Susi.

Ze vielen voor elkaar. Zij die afstamt van mensen in slavernij, maar zich ‘klein maar moedig’ acht, en hij wiens geloofsgenoten meesters werden genoemd, terwijl een van zijn grootvaders ook van mensen in slavernij afstamt: zij hebben elkaar gevonden.

Ooit telde de Joodse gemeenschap op Curaçao duizenden mensen. Nu zijn dat er nog slechts een paar honderd. Veel Joden hebben in de afgelopen tientallen jaren het eiland verlaten en zijn elders in de regio, zoals in de Verenigde Staten, op zoek gegaan naar de economische kansen die Curaçao hun steeds minder wist te geven.

Sinuhe en Susi zijn vooralsnog van plan op hun geboortegrond te blijven en hun twee kinderen hier op te voeden. Ze zijn bezig met een verhuizing naar een prachtig oud huis in de wijk Otrobanda, de plek waar Sinuhes Joodse overgrootvader ging wonen toen hij zich op het eiland had gevestigd. Vanaf het balkon van hun nieuwe woning – dat wel het karakter van een oud landhuis heeft, maar nooit deel heeft uitgemaakt van een plantage en ironisch genoeg Plantersrust heet – kunnen zij hun blik laten glijden over het water van de Caribische Zee, het water waarover hun voorouders uit Afrika en Europa naar het eiland Curaçao zijn gekomen, de plek die zij hun thuis noemen.

Dit is de laatste bijdrage van correspondent Kees Broere.

Over deze serie

Dit is de zevende aflevering van een serie interviews over het koloniale verleden van Nederland. De volgende keer: Wonny Stuger (61) over het zelfbeeld. Wonny groeide op in de door koloniaal en racistisch denken gevormde Surinaamse samenleving, waar kinderen leerden dat alles wat zwart of gekleurd was, alles wat met Suriname te maken had, slecht, dom en minderwaardig was. Wonny: ‘We moesten denken als Hollandse kinderen. Weet je hoe we huizen tekenden? Met puntdaken, schoorstenen en sneeuw.’

Meer over