Wij zijn helemaal niet zo flexibel

Tot een van de kenmerken van ons aller poldermodel wordt de flexibele arbeidsmarkt gerekend. Hierop is volgens Peter Smulders wel wat af te dingen....

FLEXIBILISERING van de arbeid is niet alleen meer een zaak van werkgever en werknemer, maar lijkt meer en meer een politiek geladen onderwerp te worden. Dat blijkt ook uit de bijdrage van Jan Marijnissen (SP) en Wim van Dorst (FNV) aan de Forumpagina van 14 oktober, waarin zij te hoop lopen tegen de flexibilisering en de veronderstelde negatieve effecten ervan.

Hoewel zij de flexwerker niet expliciet definiëren, lijken de auteurs te denken aan iemand die uitzendkracht is of een tijdelijk contract heeft, op prestatiebeloning staat, onder stevige tijdsdruk werkt, niet voor scholing in aanmerking komt, slecht geïnformeerd wordt door het bedrijf, en die mede daarom eerder een bedrijfsongeval overkomt.

De auteurs hebben het dus vooral over contract-flexibilisering (uitzend- en tijdelijk werk). Er bestaat daarnaast echter ook zoiets als tijdsflexibilisering (deeltijdwerk, weekendwerk, ploegendienst, loopbaanonderbreking, et cetera) en functie-flexibilisering (inzetbaarheid in meer functies, taakroulatie, et cetera).

Lang niet al deze vormen van flexwerk zijn ongunstig voor de werknemers. Denk aan parttimewerk, waardoor voor velen onder ons de zorg voor het gezin beter uitvoerbaar is geworden.

Er dringen zich nu twee vragen op: (1) hoe sterk is het flexwerk in Nederland eigenlijk ontwikkeld, en (2) wat zijn de effecten ervan voor werknemers?

Laten we eens kijken naar de cijfers. In 1996 werd in alle 15 landen van de EU een representatief onderzoek uitgevoerd onder een steekproef van circa 1000 werkenden per land. In totaal ging het om 12.400 werknemers van 15-64 jaar, onder wie 935 Nederlanders.

De hoofdconclusie uit de onderzoeksgegevens (zie de tabel) is dat de flexibilisering van de arbeid in Nederland - in Europees verband - niet erg ontwikkeld is. In vergelijking met het Europees gemiddelde hebben we minder vaak een tweede betaalde baan, werken we minder vaak in het weekend en als uitzendkracht. Op twee punten slaat de balans naar de ander kant door: er wordt in Nederland veel meer in deeltijd gewerkt en meer tijdelijk gewerkt dan gemiddeld in de EU.

Allereerst scoort Nederland laag wat betreft het aantal uren dat per week gewerkt wordt: 34,8 uur tegenover 38 uur gemiddeld in de EU. Onze naar verhouding korte werkweek hangt uiteraard samen met ons hoogste percentage parttimers in de EU en ons beperkte aantal overwerkuren.

Ook is het percentage werknemers in Nederland met een tweede betaalde baan beperkt, slechts 9 procent. In België (23 procent) en in Ierland (19 procent) zijn deze percentages veel hoger. Het hebben van een tweede betaalde baan lijkt niet een 'armoede-kenmerk', want in armere landen als Griekenland en Spanje hebben werkenden veel minder vaak een tweede baan.

Dat het hebben van een tweede betaalde baan geen teken van armoede is, blijkt ook uit het feit dat in Nederland werknemers met een hogere opleiding ruim twee keer zo vaak een tweede betaalde baan hebben als werknemers met een lagere opleiding (12 procent versus 5 procent).

Ten derde is het heel opvallend dat er geen land in Europa is waar zo weinig in het weekeinde wordt gewerkt als in Nederland. In Nederland werkt ruim een derde (38 procent) van de werknemers in het weekend. In veel zuidelijke landen, maar ook in Groot-Brittannië, België en Duitsland zijn deze percentages hoger.

Wat betreft de percentages werknemers met een tijdelijke baan, zit Nederland, met 14 procent, wel in de hogere regionen. In Spanje is het percentage tijdelijk werkenden het hoogst (29 procent) en in Zweden het laagst (3 procent).

Internationaal gezien zou Nederland - volgens de media - vooraan staan in uitzendwerk. Uit de EU-onderzoeksgegevens blijkt echter dat in Nederland slechts 3 procent van de werknemers uitzendwerk doet. Dit percentage ligt in Duitsland lager (1 procent), maar in Spanje (10 procent), Zweden (10 procent), Griekenland (7 procent), Portugal (6 procent), Denemarken (5 procent) en Ierland (5 procent) hoger.

Werknemers met een tijdelijke aanstelling en uitzendwerkers in Europa blijken beduidend minder tevreden zijn met hun werk dan de werknemers met een vaste aanstelling. Bij weekend-werkers, parttime-werkers en werkenden met een tweede betaalde baan zijn dit soort hogere ontevredenheidsscores niet waar te nemen.

Alles bij elkaar kan de conclusie zijn dat Nederland allerminst tot de flexibele avantgarde behoort. Het beeld van flexwerk is in elk geval diverser dan vaak wordt aangenomen.

P.G.W. Smulders is senior onderzoeker/adviseur bij het Nederlands Instituut voor de Arbeid (NIA TNO) te Amsterdam.

Meer over