bericht uitWillemstad

Wij zijn de wandelaars langs het Spaanse Water

Uitzicht in de ochtend op het Spaanse Water in Curaçao. Beeld Kees Broere
Uitzicht in de ochtend op het Spaanse Water in Curaçao.Beeld Kees Broere

Er zijn er die nóg vroeger komen. Die al kort na vijven, als het nog echt donker is, naar buiten gaan om hun ronde te maken. Maar de meesten van ons wachten tot het duister van de nacht zich terugtrekt en de ochtendschemering zich in intieme stilte ontvouwt. Zo tussen 6 en half 7 is ons moment aangebroken.

Wie zijn wij? Dat weten we niet.

Wij groeten elkaar, omdat we elkaar steeds weer tegenkomen. Vaak woordeloos, soms met een simpel maar hartelijk bon dia. We herkennen elkaar, maar kennen elkaar niet. Eenlingen zijn we, die alleen voor de fregatvogels die boven ons zweven de indruk wekken een heuse groep te zijn.

Wij wandelen op Curaçao de ochtend tevoorschijn, daar ergens op die strook land tussen de rotonde van de Caracasbaaiweg en de afslag naar het Spaanse Water. Soms kijken we opzij en zien we de mensen die zich onderdompelen in de Caribische Zee. Je zou ze zwemmers willen noemen, maar dat zijn zij lang niet allemaal. Zij houden van het water, het water houdt van hen.

En dan zijn er die wandelen noch zwemmen. Zoals de meneer die steevast op hetzelfde stenen bankje zit en daar een krant leest. Of die groep oudere mannen met hun prachtig gegroefde Caribische koppen die op de parkeerplaats tegen hun auto’s staan geleund, die in alle vroegte al de grootste gebaren weten te maken en die er elke dag dezelfde felle discussie lijken te voeren. Als dominospelers zonder stenen, weggelopen uit een roman van Frank Martinus Arion.

Maar wij zijn de wandelaars.

De vrouw met de zilverwitte haren, die op haar mooie donkere gezicht altijd een strenge, zwarte zonnebril draagt, terwijl de dag nog nergens een schaduw heeft laten vallen. De man die zich heeft laten vertellen dat hij echt nog niet te oud is om zijn haar in een piepklein staartje bij elkaar te vouwen. De magere vrouw die meent dat zij de indruk zal wekken snel te lopen door niet zozeer haar benen maar vooral haar armen fanatiek heen en weer te laten gaan. De jonge vrouw met korte dreadlocks, die een verbluffend elegante pas heeft, zo verfijnd dat zwerfhonden zich rond haar verdringen, hopend dat iets van haar glorie op hen zal afstralen. In deze bonte stoet hebben de wandelaars ook mij opgenomen. En zo loop ik vrolijk zwijgend een stukje met hen mee.

De jongeman op blote voeten kom ik als laatste tegen. Hij moet ergens in de doolhof van zijn leven een verkeerde afslag hebben genomen. Nu loopt hij over het pad langs de baai, een weggetje met rul zand maar ook gevaarlijk scherpe keien. In zijn linkerhand draagt hij een kartonnen doos met goedkope wijn, die helemaal niemand meer samen met hem lijkt te willen drinken. Waar wij op zoek zijn naar de dag, wil hij het liefst terug de nacht in.

Nee, echte sporters zijn wij niet. Maar het mooie is: we doen ook niet alsof. Een enkele keer flitst tussen ons door iemand die meent dat zij of hij in gestrekte draf de dag dient te beginnen. Dan schudden wij het hoofd, heel even, en wandelen weer allerrustigst verder.

Tot het moment dat de nieuwe dag dan echt besluit aan te breken. Boven de golven bij het Spaanse Water klinkt plotseling een Engelstalige stem, als in een onbedoeld liefdeslied. Follow, follow the sun, horen we: volg de zon.

Precies dat is wat wij doen.

Meer over