Wierook uit alle zinnen

ER ZIJN NOG heel weinig resten; na de reformatie heeft de tijd bijna alles genomen. In de middeleeuwen had Friesland - dat groter was dan de huidige provincie - een vrij grote kloosterdichtheid....

In 1163 kwam er, ten noorden van Leeuwarden, tegen de Waddenzee aan, een klooster bij van de premonstratenzers, een orde in 1120 gesticht door Norbertus van Xanten. Vanuit dat klooster, dat Mariëngaarde heette, werden andere in Friesland gesticht, ook van nonnen. De premonstratenzers waren kanunniken, geen monniken; ze leefden in kloosters, deden het koorgebed, maar waren ook werkzaam in de zielzorg; ze hadden parochies. Aan het hoofd van het klooster stond een abt.

Mariëngaarde werd gesticht door de pastoor van Hallum, een zekere Frederik. Hij bleef met zijn nieuwe klooster dicht bij zijn pastoorsplaats, die ook zijn geboorteplaats was. Hij begon min of meer voor zichzelf; pas later zocht hij via het Duitse premonstratenzer klooster van Steinfeld opname van zijn klooster in de orde en daarmee binnenin de grote gemeenschap van de norbertijnen.

Frederik was de eerste abt. Hij stierf al in 1175; het begon overal te geuren; er gebeurden heel veel wonderen op zijn graf in de door hem gestichte kapel. Hij was heilig, wat zijn parochianen uit Hallum en zijn ondergeschikten in het klooster allang wisten! Een van zijn opvolgers, Sibrand geheten (hij was abt van 1230 tot 1242) schreef zijn hagiografie. Sibrand was de directe opvolger van Siard, die een misschien nog sterkere geur van heiligheid verspreidde. Er zijn door zijn anonieme biograaf 49 wonderen geregistreerd, door hem na zijn dood verricht. Frederik en Siard - zij zijn voorbeeldig in hun gestrengheid, ascese, behoud van de kloostertucht, gebed en contemplatie. Maar niet minder in de zielzorg. Ze zijn het voorbeeld voor de premonstratenzers, het leven van de leer. Naar die voorbeeldigheid toe - en daar doen heel wat eeuwenoude topoi toe - zijn de hagiografieën geschreven. Een heilige is nooit origineel, kan dat niet zijn.

Ook Sibrand kreeg, samen met twee van zijn opvolgers, een biografie. Over hem wordt al meteen opgemerkt dat hij 'gezet' is. Hij was geen vaster en geselaar. Hij hield van praal. Maar hij verbeterde ook het eten van de broeders. Het hele vierde hoofdstuk van zijn biografie is daaraan gewijd! 'De portie boter 's zomers aan de middag- en avondtafel vergrootte hij; hij regelde dat er brij, vroeger aan de broeders niet verstrekt, bij het avondeten opgediend zou worden. Hij gaf order om de beste tarwe die tevoren verkocht werd en voor de kloosterlingen niet dan op dubbele feesten in het brood werd verwerkt, zoals wij ook nu nog zien, niet te verkopen, maar deze in de eetzaal aan de broeders als maaltijd voor te zetten om deze in dankbaarheid te nuttigen.'

En zo werd het alle dagen feest. De verslapping van de oorspronkelijke geest treedt al snel in, een haast vaststaand gegeven in de kloostergeschiedenis. Bij Sibrands dood geen geuren en erna geen wonderen. Maar hij deed er toch één tijdens zijn leven: hij schreef met de hagiografie van de stichter, Frederik, een klein meesterwerk, geheel in de traditie van de voorbeeldigheid, in een taal die voortdurend in bijbelse woorden overgaat.

'Hij sprak bijbels, zoals men Frans spreekt', is over Bernardus opgemerkt. Het geldt voor ontelbare middeleeuwse Latijnse schrijvers. Frederik krijgt, zoals het hoort, de geschiedenis die een heilige moet hebben: van zijn jeugd tot zijn sterven. Maar over zijn stichting staat er toch genoeg in dat tot de geschiedenis hoort. Het leven van Siard daarentegen is meer een preek: de man verdwijnt achter alle heiligheidsidealen. Het leven van de heilige als meditatiestof. Het wierookt uit bijna alle zinnen. De biografieën van Sibrand en zijn opvolgers, ook anoniem, zijn veel zakelijker, veel meer directe geschiedschrijving ook.

De drie biografieën uit de dertiende eeuw (de levens van de laatste drie willen als een geheel worden gelezen) zijn bewaard gebleven in één handschrift, dat omstreeks 1500 ontstond. En daar hebben minstens drie afschrijvers aan gewerkt. Over het ontstaan - waarom ineens de oudste (strenge) geschiedenis van het klooster opnieuw 'uitgeven' -, bestaan slechts gissingen. Het handschrift heeft de titel gekregen Vitae Abbatum Orti Sancte Marie nu met de Nederlandse ondertiteling: 'Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland'.

De uitgave geeft de Latijnse tekst van het handschrift, dat in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel berust, met een Nederlandse vertaling. De tekst wordt voorafgegaan door een werkelijk schitterende inleiding: historisch, teksthistorisch, kloosterhistorisch. Door die vrij omvangrijke studie krijgen de levensbeschrijvingen een heel goede achtergrond. Misschien is de helderheid ervan nog bewonderenswaardiger dan de eruditie (juist op die terreinen die aan erosie beginnen te lijden) die eruit blijkt.

De schrijvers kenden de bijbel, de kerkvaders en de grote hagiografische tradities. Die eruditie kan verwonderen. We zijn in een uithoek van Europa en de kloosters waren betrekkelijk klein. Maar het grote verband van de orde waarin zij leefden en werkten, om van de grote liturgische tradities maar te zwijgen, verhief ook zijn vrij klein klooster boven het provincialisme.

Het leven van Frederik lijkt in veel opzichten haast een kopie van hagiografieën uit Frankrijk of Engeland. De heiligheid begint in de jeugd (al is er variant van de bekering op latere leeftijd), de uitverkorene wordt erkend; zijn heiligheid neemt toe en ontplooit zich geheel op het sterfbed, met bijna altijd luid geween van de omstaanders. Na de dood zet het leven zich voort rond het graf. Het 48ste hoofdstukje van Frederiks levensbeschrijving laat dat zien, ook al weer geheel in de traditie: 'Rond die tijd stroomden vele zieken, uit verschillende streken van Friesland geroepen, bij de grafkapel van genoemde man Gods samen en zij riepen zijn voorspraak in voor hun genezing. Het is me niet mogelijk de soorten genezingen te noemen die de Heer door Frederik bewerkte: vooral van lammen, lijders aan rheumatiek, zelfs krankzinnigen en bezetenen. Hoe dikwijls bracht hij voor schippers de zee tot rust! Hoe vaak verdreef hij op hun beden de mist! Hoe vaak leidde hij hen boven verwachting weer naar haven terug!'

Mede door de inleiding is de uitgave een klein (of groot, maar ik blijf in de geest van de nederige abten) monument voor een vergeten stuk vaderlandse geschiedenis. Wonderen van dichtbij zijn altijd mooier dan van veraf.

Meer over